Gastblog van G.J. Smeets
De klimaatwetenschap maakt de tongen los en dat is niet voor niks. Haar bevindingen zijn relevant voor o.m. (inter)nationaal energiebeleid en regionale infrastructuur-planning. In het volgende ga ik in op een andere reden waarom de klimaatwetenschap over de tong gaat en die diepe wortels heeft in onze intellectuele traditie: het begrip van meten en weten. De klimaatwetenschap heeft met andere disciplines daarin een trendbreuk geforceerd. Die breuk zal ik toelichten en ik begin met een paar opmerkingen over waar elk weten mee begint: meten.
Stel, een onderzoeker weegt op een klassiek weegschaaltje in het lab wat kwik af: 17 gram. Merk op dat hij niet daadwerkelijk iets weegt maar twee drukkrachten vergelijkt, elk aan een van beide zijden van het kantelpunt. Hij vertaalt de ene ‘Sachverhalt’ in een andere: hij maakt van de verhouding tussen twee drukkrachten een gewichtswaarde. Dat lijkt een bagatel en dat is het in dit geval ook maar dat neemt niet weg dat de verhouding tussen drukkrachten wezenlijk, echt wezenlijk iets anders is dan een verschil in gewicht. Mutatis mutandis impliceert de toepassing van elke micro-, tele-, radio- of elektroscoop dergelijke impliciete vertaalstappen die niet helemaal ‘kloppen’ maar waarop de onderzoeker vertrouwt. Kortom: data (17 gram, 10 megaton CO2, 1,7% van BNP) zijn niet materieel gegeven, ze worden gemaakt. En waarbij de onderzoeker voorbij gaat aan de ware aard van de handeling van het meten, namelijk dat het een interface is – vormgegeven in een meetinstrument als verlengstuk van zijn zintuigen – tussen zijn denken en de te onderzoeken zaak. Meten is een raakvlak tussen geest en materie.
Na het wegen in het lab treedt de onderzoeker een andere soort interface binnen, het immateriële instrument van de statistische analyse. Hij begint met het uitzetten van de Cartesiaanse x- en y-assen om er de interactie van 2 variabelen mee te noteren, of het verloop in de tijd van de waarde van 1 variabele. Vervolgens komt het bepalen van relevant geachte variabelen, het bepalen van minimaal en maximaal te noteren waarden van de variabelen, het selecteren van een steekproefgroep (menselijk, dierlijk, chemisch, atomisch, elektromagnetisch, thermisch, mathematisch, etc.), het daadwerkelijk sonderen, het turven, het (sub)groeperen van wat geturfd is, et cetera. Dat zijn veel epistemologische stappen tussen evenzovele proposities in de wetenschappelijke redenering. Die stappen kloppen nooit precies omdat ze elk een ‘vertaling’ zijn van de voorafgaande naar de volgende propositie in het betoog. Let wel: niet de afzonderlijke proposities zijn in het geding maar de geldigheid, de betrouwbaarheid van de schakels ertussen. Geen enkele wetenschapper ontkomt eraan te vertrouwen (en te doen vertrouwen!) op de geldigheid van de stappen waarmee hij zijn proposities verbindt. Vandaar dat er een beschermend cocon om dat vertrouwen is geweven: een weefsel van routines, rituelen, vakjargon en taboes. Denk aan check en dubbelcheck, dubbelblind experiment, verbetering van het meetinstrumentarium, de slag om de arm (marge!), peer review, het jaarlijkse congres, de eeuwige strijd tegen pseudo-kennis en fraude, het verbod te flirten met de politieke macht, enzovoort. Lees verder →