Zijn de natuurbranden die we deze zomer in Europa en elders in de wereld zien het gevolg van klimaatverandering? Op sociale media lopen de meningen hierover uiteen van “Ja, helemaal” tot “Nee, helemaal niet”. Het zal de lezers van dit blog niet verbazen dat de realiteit wat genuanceerder in elkaar zit. Zoals dat nu eenmaal altijd het geval is, wanneer je de wetenschap erbij haalt.
Statistiek
Eerst maar eens wat data, afkomstig van de Europese databank EFFIS. Met meteen maar een kanttekening, want de hier beschikbare data beslaan maar een vrij korte periode van twintig jaar. Vrij kort om al te stellige conclusies aan te verbinden over trends voor de lange termijn. Kijken we naar het totaal verbrande oppervlak in de EU tot nu toe, dan ligt dat ver boven het gemiddelde voor deze tijd van het jaar. Maar het ligt iets onder het record, dat vorig jaar werd gevestigd.

Ook in Nederland zitten we ver boven het gemiddelde maar onder het record. Dat record stamt uit 2020 toen er in de laatste week van april tegelijkertijd twee grote natuurbranden waren in de Deurnese Peel en de Meinweg, ten oosten van Roermond. Het was de beginperiode van de corona-epidemie, mogelijk zitten die branden daardoor wat minder prominent in ons collectieve geheugen.

De meest dramatische cijfers van dit jaar zijn die voor Frankrijk, waar het verbrande oppervlak ver boven het jaarrecord ligt uit 2023. In Spanje gaat het tot nu toe vrijwel gelijk op met vorig jaar, dat daar het recordjaar is. Veel records dus in recente jaren, maar dat is niet overal het geval. Griekenland kende bijvoorbeeld een enorme uitschieter in 2007. Over het geheel genomen zou ik denken dat de cijfers uit deze database allesbehalve geruststellend zijn, maar dat ze ook geen hard bewijs vormen voor een toename. (Voor geïnteresseerden, er zijn verschillende websites die een wereldwijd overzicht geven van natuurbranden, zoals deze, maar de informatie is daar te beperkt om iets over trends te kunnen zeggen.)
Invloed van weer en klimaat
Alleen maar naar op internet beschikbare statistieken kijken is natuurlijk ook het soort “eigen onderzoek doen” waar je een beetje mee moet oppassen. Er is immers ook onderzoek van mensen die daar hun vak van hebben gemaakt en die dus wat meer kennis van zaken hebben. Twee recente publicaties geven meer informatie, met name over de situatie in Zuid-Europa: van World Weather Attribution (WWA) en in Nature Scientific Reports, met een grote inbreng van onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG).
Er zijn meerdere manieren waarop klimaatverandering de risico’s van natuurbranden beïnvloedt. Over sommige van die invloeden is veel zekerheid, over andere minder. Dat een warmer klimaat tot een intensievere hydrologische cyclus leidt volgt uit basale natuurkunde: hoe warmer, hoe meer water er verdampt, en dat water komt ook weer ergens als neerslag naar beneden. De vuistregel is dan: droge gebieden en periodes worden droger, natte gebieden en periodes worden natter. Ofwel: zowel droogte als neerslag worden extremer. Daar komt bij dat droogte en hitte elkaar versterken: verdamping van water kan het aardoppervlak koelen, dus kan de temperatuur meer stijgen naarmate er minder water overblijft. En bij droge en warme omstandigheden is niet alleen de kans op een natuurbrand groter, er is vooral het gevaar dat zo’n brand zich razendsnel uit kan breiden. Meer daarover verderop in dit stuk. Voor nu is de conclusie dat dit onmiskenbaar invloed heeft op het risico van natuurbranden.
Hitte en verdamping vormen het relatief makkelijk te beredeneren deel van het verhaal, aan de hand van basale natuurwetenschap: de thermodynamica. Maar in het klimaat is er ook altijd het lastiger te beredeneren en te voorspellen deel: de dynamiek. Die kan, vooral op regionale schaal, de effecten van de thermodynamica versterken of juist afzwakken. Concreet gaat het dan over stromingspatronen, die een aanzienlijke interne variabiliteit hebben, maar ook kunnen veranderen door de opwarming van het klimaat.Het onderzoek van de RUG vindt aanwijzingen dat de kans op droog en heet weer, en daarmee op natuurbranden, in Zuid-Europa aanzienlijk groter is door veranderingen in de dynamiek. Het is goed mogelijk, maar nog niet overtuigend bewezen dat die veranderingen het gevolg zijn van de opwarming door onze uitstoot van broeikasgassen.
Het is paradoxaal, maar ook een periode met veel neerslag kan bijdragen aan het brandgevaar, wanneer die aan de warme en droge zomer voorafgaat. De neerslag bevordert dan de plantengroei. In de zomer is er dan meer organisch materiaal dat als brandstof een brand kan voeden. (Het roept de vraag op of stikstofdepositie en CO₂-fertilisatie ook significant bij zouden kunnen dragen aan brandrisico’s. Ik kon hier weinig wetenschappelijke literatuur over vinden.) Natte periodes in de winter of het voorjaar van 2025 en 2026 hebben op die manier bijgedragen aan de ernst van de branden in Spanje. Er zijn geen aanwijzingen dat klimaatverandering hier een rol van betekenis speelt.
Preventie en bestrijding
Ondanks de ongunstiger weersomstandigheden lag het aantal natuurbranden per jaar in Zuid-Europa in het afgelopen decennium onder het gemiddelde van de dertig jaar daarvoor. Dat geldt ook voor het verbrande oppervlak. Dat is het gevolg van maatregelen die zijn genomen om zowel de preventie als de bestrijding van branden te verbeteren. Adaptatie, dus. De recente heftige branden roepen de vraag op of die maatregelen nog wel voldoende zijn. Of moeten er meer, ingrijpender maatregelen worden genomen? En, nog wat meer confronterend: wanneer is de grens bereikt van wat er mogelijk is aan adaptatie? (Preventie kan bijvoorbeeld een averechts effect hebben, omdat zich daardoor juist over een langer periode brandbaar materiaal op kan hopen. Breekt er dan toch brand uit, dan kan die heel heftig zijn. Gecontroleerde branden kunnen dit soms oplossen, maar de omstandigheden moeten dat wel mogelijk maken.) Kijken we dichter bij huis, dan kunnen we in Nederland waarschijnlijk wel het een en ander leren van wat er in Zuid-Europa al is gedaan. Als we tenminste erkennen dat dat hier nodig is.

Het lijkt me belangrijk om verder te kijken dan alleen de cijfers. In principe horen branden bij de normale gang van zaken in de natuur. Die kan zich vaak prima herstellen van een brand, een in veel gevallen is de schade voor de mens ook beperkt. Maar voor de inferno’s die we de afgelopen maanden regelmatig in het nieuws hebben gezien is dat anders. Dergelijke branden vormen een gevaar en enorme schadepost voor mensen, en de natuur heeft lange tijd nodig om zich te herstellen. Daarmee versterken zulke branden ook de opwarming: de CO₂ die vrijkomt wordt niet of pas na lange tijd weer opgenomen door de vegetatie en de bodem, als de natuur zich moeilijk kan herstellen.
Kern van het probleem is dat intense natuurbranden niet of moeilijk beheersbaar zijn. De “Severity Rating” van EFFIS geeft een indicatie van de invloed van weersomstandigheden op de beheersbaarheid van een natuurbrand, nadat een ontsteking heeft plaatsgevonden. Naast temperatuur, hoeveelheid neerslag worden luchtvochtigheid en windsnelheid ook meegenomen in de berekeningen. Wind heeft een grote invloed op de snelheid waarmee een brand zich kan verspreiden. De rating ligt voor Europa in het jaar tot nu toe iets boven de waarde uit recordjaar 2022. Voor deze figuur worden data gebruikt vanaf 1980; een aanzienlijk langere datareeks dus dan die van verbrande oppervlakken bovenaan dit stuk.

Hitte en droogte zijn niet de directe oorzaak van een natuurbrand. In eerste instantie ontstaat een brand door een ontstekingsbron, en in veel gevallen is dat de mens, al dan niet bewust. Maar hitte en droogte bepalen wel in belangrijke mate hoeveel brandstof er beschikbaar is na een ontsteking. Hoe meer brandstof, hoe intenser het vuur en hoe moeilijker de bestrijding. Op zeker moment is de brandweer dan machteloos. Beheersbaarheid is niet zo makkelijk nauwkeurig te meten, maar het is wel de factor die grotendeels bepaalt hoe gevaarlijk of schadelijk een natuurbrand is. Als onbeheersbare branden vaker voorkomen, hebben we een flink probleem.

