Grote delen van Europa hebben vroeg in deze zomer hittestress ervaren. Wat dat is en hoe het aanvoelt, zal ik dus niet hoeven uit te leggen. In veel landen, waaronder Nederland, werden temperatuurrecords voor juni gebroken, en in sommige landen werden zelfs temperaturen bereikt die daar nooit eerder waren gemeten. Onderstaand lijstje is afkomstig van de BBC.

Hitte is een belangrijke oorzaak van weergerelateerd overlijden. Vooral ouderen en jonge kinderen zijn kwetsbaar, maar ook mensen die fysiek werk doen in de buitenlucht lopen een verhoogd risico op gezondheidsschade of zelfs overlijden. Er is bij hittegolven altijd een aanzienlijke oversterfte, maar toch wordt hitte zelden genoemd als doodsoorzaak in overlijdensrapportages. Mensen overlijden vaak door andere aandoeningen die door hitte worden verergerd, zoals hartfalen of astma. Precieze cijfers over het effect van hitte op mortaliteit zijn mede daardoor moeilijk vast te stellen.
De fysiologie van hitte
De biochemie in het menselijk lichaam is helemaal ingericht op een temperatuur van 37, 38 graden. Bij enkele graden meer of minder gaan er processen haperen, en daardoor kan er schade ontstaan. Duurt dat niet heel lang, dan kan het lichaam de schade vaak nog wel herstellen. Maar ergens houdt dat op. De meest kwetsbaren kunnen dat punt vrij snel bereiken. Dat is zeker zo wanneer het ’s nachts warm blijft. Hoge nachttemperaturen blijken het herstel te bemoeilijken, onder meer omdat we slechter slapen als het te warm is.
Maar het meeste wetenschappelijke onderzoek richt zich toch op de hoogste temperaturen van de dag. Vaak wordt de natteboltemperatuur gebruikt als maat voor het fysiologische effect van hitte, maar er zijn nog wat verder uitgewerkte maten. Twee daarvan lijken sterk op elkaar: de Wet Bulb Globe Temperature (WBGT), die het KNMI sinds kort gebruikt bij het berekenen van de hittekracht, en de Universal Thermal Climate Index (UTCI). Om eerlijk te zijn ben ik er niet zo diep ingedoken dat ik het verschil tussen die twee uit kan leggen, als dat er al is. Voor zover ik het begrijp is de WBGT ontwikkeld vanuit de meteorologie en de UTCI vanuit de medische wetenschap, maar beide gaan uit van de vier factoren die samen de hittebelasting bepalen: temperatuur, luchtvochtigheid, wind en straling. Ze komen ook goed overeen met de gevoelstemperatuur. Logisch, want ons lichaam is niet geëvolueerd om de precieze temperatuur in graden Celsius te kunnen bepalen, maar om aan te voelen hoe belastend hitte (of kou) voor ons is.
Ik houd het vanaf nu dus maar op gevoelstemperatuur. Het artikel waar ik het over ga hebben gebruikt dat woord ook enkele keren voor de UTCI. Dat artikel vergelijkt de hittestress zoals die wereldwijd voorkwam in de periode 2015 – 2024 met die van de jaren ‘70. In vrijwel de hele wereld is, zoals te verwachten viel, een toename te zien. Er worden drie niveaus van hittestress onderscheiden: bij een gevoelstemperatuur boven de 32 °C is die sterk, boven de 38 °C zeer sterk en boven de 46 °C extreem.
De toename van hittestress
Er staan een heleboel interessante kaartjes in dat artikel. Teveel om hier allemaal over te nemen. Ik beperk me tot de twee hieronder, die aangeven hoe de gevoelstemperatuur van de tien warmste dagen en de tien warmste nachten per jaar is veranderd sinds de jaren ‘70. Voor de andere kaartjes verwijs ik door naar figuur 1 uit het artikel. Er blijken zowaar nog enkele plekjes op aarde te zijn waar de gevoelstemperatuur van de warmste dagen wat is gedaald. Het meest opvallend is dat dit in een aanzienlijk deel van India is gebeurd. Het artikel geeft er geen verklaring voor. Bij mijn weten is de gemiddelde temperatuur hier niet gedaald, dus mogelijk heeft het te maken met een afname van de luchtvochtigheid, of toename van wind of bewolking. De sterke toename van luchtverontreiniging in dit van de wereld zou ook invloed kunnen hebben. Het effect bestaat alleen overdag; de warmste nachten zijn hier ook warmer aan gaan voelen.


In bewoonde gebieden in de wereld komen gevoelstemperaturen voor die uiteenlopen van -60 °C tot meer dan 50 °C. In gebieden met een gematigd klimaat, zoals Europa, zitten temperaturen waarbij hittestress voorkomt in het staartje van de temperatuurdistributie. Dat staartje kan aanzienlijk groter worden als de distributie van de temperatuur enkele graden verschuift. Dagen met sterke hittestress komen in Europa nu bijna twee keer zo vaak voor als in de jaren ‘70, die met zeer sterke hittestress ruim twee keer, en die met extreme hittestress tweeënhalve keer.

Natuurlijk wordt ook de periode waarin hittestress voor kan komen langer. De afbeelding hieronder laat dit zien voor Europa. De hittegolf die we eind juni hebben gehad past helemaal in het beeld van het opgewarmde klimaat, zoveel is duidelijk.

Slotverzuchting
Ik weet dat het niet nodig is, maar ik kan het niet laten om dit verhaal te eindigen met een verzuchting over de pseudosceptici. Een van de vaste drogredenen uit hun standaardrepertoire is de valse tegenstelling tussen mitigatie en adaptatie. We zouden voor dat tweede moeten kiezen, vinden ze. Nu is er best het een en ander gebeurd met aanpassing aan extreme hitte. Hitteplannen, waarschuwingen en informatie van het KNMI over wat te doen bij hitte bijvoorbeeld. Maar dat blijkt toch ook weer niet deugen, maakte ik de afgelopen tijd op uit de pseudosceptische blogosfeer. Het zou overdreven zijn, of zelfs bangmakerij. Dus adaptatie moet, maar wel alleen als die je niet confronteert met de feiten over het veranderende klimaat. Het blijft een wonderlijk gezelschap…

