Waarom klimaatveranderingen uit het verleden de menselijke invloed niet tegenspreken, maar bevestigen

Er zijn in de geschiedenis van de aarde heel wat ingrijpende klimaatveranderingen geweest, dat is een waarheid als een koe. Er zijn periodes geweest waarin de aarde vrijwel ijsvrij was, en mogelijk ook periodes waarin nagenoeg de hele planeet bedekt was met ijs. Die veranderingen uit het verleden worden door pseudosceptici nogal eens aangegrepen voor misleidende of suggestieve beweringen. Alsof die veranderingen in het verre verleden afbreuk zouden doen aan de wetenschappelijke kennis over de menselijke invloed op het klimaat. Of er zelfs mee in tegenspraak zouden zijn.

Niets is minder waar. De kennis over klimaatveranderingen uit het verleden, de paleoklimatologie, maakt onderdeel uit van het totaalpakket waar klimaatwetenschappers zich op baseren. Sterker nog, de inzichten over opwarming door de mens zijn ontstaan vanuit vragen die opkwamen vanuit de paleoklimatologie. Als bijvangst, zou je kunnen zeggen.

Verloop van de gemiddelde wereldtempertuur in de afgelopen 500 miljoen jaar. Let op de verspringende schaal van de x-as. Bron: Haywood et al. 2019.

Pseudosceptici doen vaak alsof de waarschuwingen over antropogene klimaatverandering vanuit de wetenschap in de jaren ’80 opkwamen vanuit het niets. Wat mij betreft grenst dat aan geschiedvervalsing. De ontwikkeling van die wetenschap beslaat een periode van twee eeuwen, al duurde het tot na de Tweede Wereldoorlog tot de eerst serieuze zorgen opkwamen. Klimaatwetenschappers zijn daarna nog decennialang uiterst behoedzaam geweest met het uiten van die zorgen. Tot op het moment, rond 1980, dat er niet meer aan het bewijs viel te ontkomen. Verschillende wetenschappelijke klimaatrapporten waarschuwden de politiek toen voor het toekomstige klimaatprobleem, in tegenstelling tot vroegere rapporten, die behoudend bleven en vooral pleitten voor meer onderzoek.

In de context van die geschiedenis denk ik nog wel eens aan de verzuchting van een Nederlandse pseudoscepticus, dat het debat over klimaatverandering in de jaren ’80 “veel opener” zou zijn. Ik zie het als een pseudosceptische beginselverklaring. Zij willen tot in de oneindigheid in een debat blijven hangen dat een jaar of veertig geleden al is beslecht. De argumenten van de twijfelaars uit die tijd zijn uitgebreid weerlegd, maar ze blijven ze maar oplepelen. Zonder ooit serieus te antwoorden op die weerleggingen. Het is een handige manier om vast te houden aan je mening, maar met een wetenschappelijk debat heeft het niks te maken. Het echte wetenschappelijke debat is ondertussen een kleine halve eeuw verder, en gaat over heel andere dingen.

Een korte terugblik op de wetenschapsgeschiedenis

In zijn bekende artikel uit 1896 maakte Svante Arrhenius, op gezag van zijn vriend en collega Arvid Högbom, een toespeling op een mogelijke opwarming van het klimaat door de menselijke uitstoot van CO₂. Maar meer dan een toespeling wat het niet. Arrhenius was namelijk op zoek naar een verklaring voor klimaatveranderingen uit het verleden, en dan vooral de ijstijden. Ook de andere grote namen uit de negentiende eeuw probeerden dergelijke natuurlijke klimaatveranderingen te verklaren: Joseph Fourier die de hypothese van het broeikaseffect formuleerde en het belang van de stralingsbalans inzag, en Eunice Foote en John Tyndall die experimenteel bewijs leverden voor het belang van de broeikasgassen CO₂ en waterdamp.

Arrhenius had een manier bedacht om te schatten hoe groot de invloed op de wereldtemperatuur zou zijn van een verandering in de CO₂-concentratie. Högbom had namelijk beredeneerd hoe natuurlijke processen daar invloed op zouden kunnen hebben. Uit de berekeningen van Arrhenius volgde dat een lagere CO₂-concentratie inderdaad een plausibele verklaring was voor de ijstijden. Opwarming door de menselijke uitstoot noemde hij niet expliciet. Maar omdat Högbom had uitgerekend dat de hoeveelheid steenkool die destijds werd gebruikt op een termijn van vele eeuwen tot een significant hogere CO₂-concentratie zou kunnen leiden, was het wel een impliciete conclusie.

Wat later noemden Arrhenius en enkele collega’s de mogelijkheid van opwarming door de mens wel expliciet. Maar met de uitstoot van die tijd bleef het iets van een heel verre toekomst. Geen urgent probleem, dus. Ze speculeerden wel wat over mogelijke gevolgen, maar dan vooral vanuit hun eigen leefomgeving: het barre Scandinavië. Niet zo vreemd dat ze een wat warmer klimaat wel een aantrekkelijke gedachte vonden.

De eerste (voorzichtige) waarschuwingen voor een potentieel toekomstig probleem kwamen ruim een halve eeuw later. Analyses van wereldwijde temperatuurmetingen lieten zien dat de aarde in de voorgaande decennia was opgewarmd. En Hans Ahlman, een geoloog en glacioloog die veel onderzoek deed in het Noordpoolgebied, constateerde dat de gletsjers daar krompen. Verdere opwarming zou voor problemen kunnen zorgen voor onder meer de landbouw en de visserij, dacht hij. Al was hij niet heel ongerust, omdat hij meende dat er een natuurlijke cyclus in het spel was. Die zou wel weer een keer de andere kant op gaan, verwachtte hij.

Anderen dachten wel aan CO₂. Gilbert Plass gebruikte als eerste een computer om de stralingshuishouding van de atmosfeer door te rekenen. Bovendien beschikte hij over de nieuwste meetgegevens over de absorptie van warmtestraling door CO₂. Hij zette de conclusies van Arrhenius weer op de kaart: CO₂ was een factor om rekening mee te houden bij het verklaren van ijstijden, en mogelijk bij het toekomstige klimaat. Amerikaanse en Zweedse onderzoekers constateerden dat de oceaan niet in staat was om alle CO₂ die de mens uitstoot op te nemen, zoals door sommigen werd gedacht. En enkele jaren nadat de metingen van CO₂ op Hawaii begonnen toonden die al aan dat de concentratie inderdaad toenam.

Toch zou een grote meerderheid van de wetenschappers nog zo’n twintig jaar terughoudend blijven met hun conclusies. Er was meer onderzoek nodig, was de overheersende gedachte. Niet omdat er iets mis was met dat eerdere onderzoek, maar ze hielden wel de mogelijkheid open dat er iets over het hoofd werd gezien. Misschien was er wel ergens een mechanisme in dat ingewikkelde klimaat dat het effect van die extra CO₂ zou kunnen compenseren. Naarmate het onderzoek vorderde werd steeds meer duidelijk dat er nergens zo’n mechanisme te bekennen was. Veel van dat onderzoek had overigens nog altijd niet de menselijke invloed op klimaat als hoofdonderwerp. Er waren grotere doelen in die tijd van techno-optimisme: betere weersvoorspellingen bijvoorbeeld, of de ontwikkeling van technologie om het weer te beïnvloeden. Meer begrip van klimaatveranderingen in het verleden stond ook nog steeds op de agenda. Maar door de uitkomsten van die studies namen de zorgen toe. Tot in 1979 rapporten van twee gezaghebbende organisaties, de WMO en de Amerikaanse Academie van Wetenschappen, tot een duidelijke conclusie kwamen: er zat een probleem aan te komen voor de eenentwintigste eeuw, waar de politiek iets mee moest.

Vanaf dat moment was klimaatverandering door de mens niet alleen meer een wetenschappelijke, maar ook een politieke kwestie. Waarna in de jaren ’80 de gemiddelde wereldtemperatuur nieuwe records begon aan te tikken, sinds het begin van de metingen. En waarna de open discussie begon, waar de pseudoscepticus die ik eerder noemde naar verwees. Een maatschappelijke en politieke discussie, al waren er ook nog wel wat wetenschappers die tegensputterden, zoals dat nu eenmaal altijd gaat. Maar die groep werd steeds kleiner, omdat hun kritiek keer op keer overtuigend werd weerlegd. En de wetenschap schreed voort, wat onder meer steeds meer inzicht opleverde in de gevolgen die te verwachten zijn van de opwarming.

Natuurlijk ≠ zomaar

Als pseudosceptici het over natuurlijke klimaatveranderingen hebben, suggereren ze dat “natuurlijk” gelijkstaat aan “zomaar”. Waarmee ze het pad van de wetenschap nog verder verlaten. Al die wetenschappers die in de 200 jaar sinds Fourier mee hebben gebouwd aan de klimaatwetenschappelijke kennis waren juist doordrongen van het besef dat het klimaat niet zomaar verandert. Iets simpelweg “natuurlijk” noemen heeft niks met wetenschap te maken. Wetenschappers zochten naar verklaringen voor dergelijke natuurlijke veranderingen om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat broeikasgassen zoals CO₂ en methaan een grote rol spelen in het klimaat. Zowel bij veranderingen in het verleden als bij de huidige opwarming. Dat volgt uit analyses die alle mogelijke factoren op een evenwichtige manier in beschouwing nemen: veranderingen in de intensiteit van zonlicht, vulkanische aerosolen, schommelingen van de aardbaan en ja, ook broeikasgassen.

De paleoklimatologie maakt deel uit van het pakket aan wetenschappelijk bewijs voor de invloed van broeikasgassen. Het zal dan ook niet meevallen om een hedendaagse paleoklimatoloog te vinden die het eens is met de pseudosceptici. En een van de wetenschappers die al in de jaren ’70 hun nek uitstaken om te waarschuwen voor klimaatverandering door onze CO₂-uitstoot was een vooraanstaande paleoklimatoloog: Wallace Broecker.  “Zomaar” is geen alternatief voor wetenschappelijk bewijs, ook niet als je in plaats daarvan het woord “natuurlijk” gebruikt.

Bestaat er een optimaal klimaat?

Pseudosceptici menen ook dat de klimaatveranderingen uit het verleden aantonen dat er geen optimaal klimaat bestaat voor de aarde. Voor de planeet zelf is dat natuurlijk ook zo. Die blijft zijn rondjes om de zon wel draaien, hoeveel de temperatuur aan het oppervlak ook verandert. Voor het leven op aarde ligt het al wat anders. Klimaatveranderingen hebben in het verleden meerdere keren tot massa-extincties geleid. Maar de evolutie laat zich niet zo makkelijk stoppen en bovendien heeft die alle tijd. De biodiversiteit neemt in de loop van miljoenen jaren weer toe, na zo’n massa-extinctie. Met nieuwe soorten die de plekken innemen van soorten die zijn verdwenen. Welk waardeoordeel je daaraan verbindt, hangt waarschijnlijk vooral af van je relativeringsvermogen. En in hoeverre het huidige klimaat optimaal is voor de mens is ook nog te relativeren. Hadden we ons minder goed kunnen ontwikkelen als het hele Holoceen, dat een dikke tienduizend jaar geleden begon, twee of drie graden warmer was geweest? Wie meent dat te weten mag het zeggen, maar verwacht niet dat ik het al te serieus neem.

In werkelijkheid is die kretologie over een optimaal klimaat niet meer dan een afleidingsmanoeuvre. Of het huidige klimaat in alle opzichten optimaal is, doet er niet toe. Het gaat erom dat zowel de menselijke maatschappij als de natuur zich de afgelopen duizenden jaren heeft ontwikkeld in het behoorlijk stabiele klimaat van het Holoceen. Alles in onze samenleving is ingesteld op dat klimaat. Verandering vereist aanpassing, zeker als die zo snel gaat als nu het geval is. Ons vermogen om ons aan te passen heeft zijn grenzen, en dat geldt ook voor de natuur. Naarmate het meer en sneller opwarmt zullen we steeds verder achter de feiten aanlopen, als we ons proberen aan te passen. Pas wanneer de uitstoot stopt en het klimaat beetje bij beetje stabiliseert zal het mogelijk zijn om ons echt in te stellen op een nieuw, veranderd klimaat. En wie weet zullen dan, in een verre toekomst, mensen dat klimaat zien als optimaal. Omdat ze er hun samenleving op hebben ingericht.

Behendige retoriek is geen wetenschap

Het valt niet te ontkennen de pseudosceptici retorisch vaak heel behendig zijn. Zeker de professionals, die werken voor denktanks of vergelijkbare clubs. Op het eerste gezicht lijkt het vaak best plausibel en redelijk wat ze zeggen, en er zit vaak ergens ook nog wel een kern van waarheid in. Maar met wat retorische handigheid is kunnen daarmee toch misleidende suggesties worden gewekt. In het gebruik van retoriek hebben ze bovendien een groot voordeel ten opzichte van wetenschap. Ze gebruiken naar believen de drie onderdelen van retorica die Aristoteles noemde: ethos, pathos en logos. Terwijl wetenschappers geacht worden zich te beperken tot logos, en ze zich daar zelf ook vaak toe verplicht voelen. Anders gezegd, pseudosceptici kunnen argumenten die op het eerste gezicht plausibel lijken inbedden in behendige retoriek. Terwijl wetenschappers het als hun taak zien om zich te beperken tot de complexiteit en nuances die bij hun vak horen. Een ongelijke strijd. Zeker wanneer de wetenschappelijke kennis, met al zijn complexiteit en nuances, op gespannen voet blijkt te staan met hele grote belangen.

Plaats een reactie