Het kabinet wil honderden miljoenen weghalen uit een pot die was bedoeld voor droogtemaatregelen, om daarmee achterstallig onderhoud aan infrastructuur te betalen. Een slecht idee. Watertekorten in droge zomers, zoals we die dit jaar hebben gehad, zullen in de toekomst verder toenemen. Niet alleen door grotere neerslagtekorten, met name als gevolg van meer verdamping bij hogere temperaturen, maar ook door lage waterstanden in de grote rivieren. Klimaatverandering droeg afgelopen zomer al bij aan de lage waterstanden in een groot deel van Europa.

Begin deze maand werd een preprint gepubliceerd van een attributiestudie over die lage waterstanden. De publicatie is nog niet peer reviewed, en dus is een kleine slag om de arm op zijn plaats. Maar ik verwacht niet dat de conclusies heel anders uit zullen vallen na de peer review.
In grote delen van Europa was het afgelopen zomer uitzonderlijk droog, met lage waterstanden tot gevolg. De afbeelding hieronder geeft, voor augustus 2025 tot juli 2026, de afwijking ten opzichte van het gemiddelde over de periode 1980-2025 van de waterafvoer in vijf grote rivieren: de Rijn, de Elbe, de Rhône, de Po en de Donau. In alle vijf was de afvoer, en dus ook de waterstand, sinds afgelopen voorjaar veel lager dan normaal. Volgens het onderzoek was de afvoer door klimaatverandering 26 tot 38% lager in vier van die vijf rivieren: de Rijn, de Rhône, de Po en de Donau.

De onderzoeksmethode
Eerst nog iets over de gebruikte onderzoeksmethode. Het is een werkwijze die vaker wordt toegepast in attributiestudies. Het begint met het identificeren van de grootschalige meteorologische situatie, met name het patroon in de atmosferische circulatie, van waaruit het extreme weer ontstaat. Vervolgens wordt die meteorologische toestand nagebootst in een weer- of een regionaal klimaatmodel, zowel in het huidige als in het pre-industriële klimaat. Op die manier kan wat er werkelijk gebeurd is, vergeleken worden met wat er in een vergelijkbare situatie gebeurd zou zijn in het koudere klimaat van anderhalve eeuw geleden. Op voorwaarde dat de simulatie in het huidige klimaat goed overeenstemt met wat er werkelijk gebeurde, natuurlijk. Want anders is het model niet geschikt voor zo’n vergelijking. In deze studie werd nog een tweede model gebruikt: een hydrologisch model dat de door het klimaatmodel berekende neerslag en verdamping vertaalde naar debieten in rivieren.
Voor dit onderzoek zijn de simulaties uitgevoerd voor een periode van meerdere jaren. Zo’n lange aanloop is hier nodig omdat verdamping en neerslag over een lange periode invloed hebben op de hydrologische toestand, zoals de grondwaterstand, en daarmee ook op het peil in rivieren.
Wil je het precies formuleren, dan moet je zeggen dat dit onderzoek het effect laat zien van de opwarming in een specifieke meteorologische situatie. Het model berekent aspecten als temperatuur, bewolking, verdamping en neerslag in die situatie. Die zijn goed te modelleren, omdat ze worden bepaald door basale natuurwetten. Maar het mogelijke effect van veranderingen in de grootschalige atmosferische circulatie door klimaatverandering wordt niet in beeld gebracht. De circulatie wordt immers opgelegd aan het model. Het totale effect van klimaatverandering kan dus over- of onderschat worden in het onderzoek. In dit geval is een onderschatting aannemelijker, omdat er aanwijzingen zijn dat weerpatronen persistenter worden. Het warme en droge weer dat we afgelopen zomer hadden kan in een warmer klimaat dus langer aanhouden. Het spreekt voor zich dat het peil in de rivieren verder daalt naarmate een droge periode langer duurt. Maar het effect van klimaatverandering is nog te onzeker om het te kunnen kwantificeren.
Resultaten

Zoals te zien in de afbeelding hierboven had klimaatverandering een aanzienlijke invloed op de afvoer en daarmee de waterstand in rivieren in grote delen van Europa. Door de Rijn, de Rhône, de Po en de Donau stroomde aanzienlijk minder water als gevolg van klimaatverandering. In de Rijn bij Lobith zo’n 25% minder, volgens de simulaties van dit onderzoek. In de Elbe was de invloed veel kleiner, van licht negatief tot licht positief.
Opwarming zorgde zowel voor minder neerslag als voor meer verdamping in de meteorologische omstandigheden van afgelopen juli en de maanden daarvoor. De mate waarin ze bijdroegen is niet op te maken uit de onderzoeksresultaten. Wel is duidelijk dat ze per rivier en van plaats tot plaats verschillen. Voor de Rijn bij Lobith speelt de verdamping een belangrijke rol.
Hoe zit het met smeltwater?
Smeltwater wordt niet genoemd in het artikel van Kettaren et al. Het gebruikte hydrologische model neemt accumulatie en smelt van sneeuw wel mee, maar de dynamiek van gletsjers niet. Ik weet niet waarom smeltwater niet wordt genoemd. Mogelijk is de jaarlijkse variatie kleiner dan die van de factoren die wel worden genoemd, of vereist het veel extra onderzoek om de invloed ervan uit de resultaten te filteren. In dat laatste geval zou er mogelijk ooit een aparte publicatie over kunnen komen. Hoe dan ook, voor de lange termijn is smeltwater wel degelijk relevant. Ik besteed er daarom toch wat aandacht aan, waarbij ik me concentreer op de Rijn.
We zullen in de toekomst minder kunnen rekenen op de Alpen als buffer voor onze watervoorziening. Het grootste deel van die buffer wordt gevormd door sneeuw die in de winter valt en in het voorjaar of de vroege zomer daarop weer smelt. Gemiddeld over de lange termijn bestaat 34% van het water in de Rijn bij Lobith uit smeltwater van sneeuw, volgens een recent rapport van de Internationale Commissie ter Bescherming van de Rijn. Logischerwijs is dat smeltwater niet gelijkmatig over het jaar verdeeld. Vanaf eind april neem de hoeveelheid snel toe, met een piek rond begin juni, gevolgd door een vrij snelle afname in de zomermaanden. In een warmer klimaat zal er minder neerslag vallen als sneeuw en zal bovendien het smeltseizoen vroeger beginnen. De smeltwaterpiek zal daardoor lager worden en eerder in het jaar vallen.
Het aandeel van smeltwater van gletsjers is veel kleiner: gemiddeld maar 1% van het water dat bij Lobith Nederland binnenkomt. Maar toch is het niet verwaarloosbaar. In een extreem droge zomer, zoals die van dit jaar, kan dat aandeel oplopen tot 17%. Dit smeltwater komt later in het seizoen: van juli tot en met september. Gletsjers verliezen massa door de opwarming, en dat levert op dit moment extra water op.

De gletsjers in de Zwitserse Alpen verloren deze zomer ongeveer 5,5% van hun massa. In het hele Alpengebied zijn gletsjers de afgelopen decennia al 60% van hun massa kwijtgeraakt. We zullen dus niet heel lang meer kunnen rekenen op extra smeltwater van gletsjers. Waarna we in een verdere toekomst niet of nauwelijks water van die gletsjers krijgen in het seizoen waarin we dat goed zouden kunnen gebruiken: de zomer.
Hogere pieken, diepere dalen
De totale hoeveelheid water die in de toekomst in een jaar door de Rijn zal stromen, zal niet heel veel veranderen. Een toename is waarschijnlijker dan een afname. De verdeling over het jaar zal veel ingrijpender veranderen: meer water in de winter, en minder in de zomer. Zowel hoge als lage waterstanden zullen dus extremer worden. In Nederland hebben we de afgelopen tijd vooral aandacht gehad voor de overstromingsrisico’s. Maar we zullen ook moeten anticiperen op watertekorten. Het lage water van afgelopen zomer was nu nog extreem, maar het zal in de toekomst vaker voorkomen en soms nog extremer worden. Vooralsnog lijkt dat inzicht niet te zijn doorgedrongen tot het Nederlandse kabinet.

