Categorie archief: Klimaatwetenschap

De echte versnelling van de opwarming

Verloop van de gemiddelde wereldtemperatuur sinds 1880 volgens NASA-GISS

Bij een opwarmend klimaat horen warmterecords. Dat spreekt voor zich. Maar omdat het klimaat ook zijn natuurlijke variaties kent, is niet elk jaar net weer iets warmer dan het vorige. Soms vallen de records bij bosjes, en soms blijven ze een tijdje uit. Zouden we daar teveel op afgaan, dan zouden we soms in paniek raken over zo’n recordperiode, om later weer te denken dat het best meevalt met de verandering van het klimaat. Aan de andere kant roepen uitschieters in de temperatuur altijd wel de vraag op of er misschien iets aan de hand was dat niet was voorzien. Zowel bij klimaatwetenschappers als bij geïnteresseerde volgers. De goede balans vinden tussen enerzijds alertheid op verrassingen en anderzijds zinloze speculaties, blijkt nog niet zo makkelijk te zijn.

Vermoedens en speculaties

Afgelopen maand werd het zoveelste klimaatrecord van dit jaar gebroken: de warmste oktober sinds het begin van de metingen. En die recordreeks zou nog wel enkele maanden door kunnen gaan, vanwege de El Niño die zich heeft ontwikkeld in de Stille Oceaan. De temperatuurpiek van een El Niño ligt meestal ergens in de periode december tot maart. Maar het is nog niet zo’n overtuigende Niño. De oceaan vertoont weliswaar duidelijk het bijbehorende patroon, maar de respons van de atmosfeer is tot nu toe vrij zwak. De index waarin atmosferische variabelen zijn opgenomen is zelfs weer onder de drempel voor een El Niño gezakt. De komende maanden zullen leren hoe het verder gaat. De ene Niño is nou eenmaal de andere niet: ze hebben allemaal hun eigen verloop. Er zijn in het verleden Niño’s geweest die behoorlijk afweken van het gemiddelde patroon.

Lees verder

Polaire amplificatie op Antarctica

Temperatuurtrends sinds 1950 volgens NASA-GISS

Het noordpoolgebied warmt veel sneller op dan de rest van de aarde. Dat is geen nieuws. Vorig jaar constateerde een onderzoek dat het daar sinds 1979 vier keer zo hard is gegaan dan gemiddeld. Dat temperatuurveranderingen in poolgebieden een stuk groter zijn dan elders wordt polaire amplificatie genoemd. Er zijn grote verschillen tussen het noord- en zuidpoolgebied, waardoor er ook verschillen kunnen zijn in omvang of snelheid van de polaire amplificatie tussen de beide polen. Op Antarctica is het fenomeen tot nu toe minder duidelijk zichtbaar. Volgens een onlangs gepubliceerde analyse is er ook daar sprake van snellere opwarming. Minder snel dan in het noordpoolgebied, maar mogelijk wel sneller dan klimaatmodellen verwachten.

Polaire versterking

In zijn beroemde artikel uit 1896 voorspelde Arrhenius al dat de temperatuur in de poolgebieden meer zou veranderen dan elders, als de wereld zou opwarmen of afkoelen. Hij baseerde zich op een fenomeen dat enkele decennia eerder was beschreven door de Schotse wetenschapper James Croll: de ijs-albedo-feedback. Sneeuw en ijs weerkaatsen veel meer zonlicht dan land en water. Als het sneeuw- en ijsoppervlak afneemt omdat het warmer wordt, komt er meer van het donkere land en water bloot te liggen, dat meer zonlicht absorbeert. Dat versterkt de opwarming. En als het afkoelt gebeurt het omgekeerde.

Lees verder

Zijn de dagen van de ijskap op West-Antarctica geteld?

Een ijsberg in het zee-ijs in de Amundsenzee. Foto: NASA / Maria-Jose Vinas

Een artikel van onderzoekers van de British Antarctic Survey trok afgelopen week de nodige aandacht. De onderzoekers concluderen dat het niet meer te voorkomen is dat er in de Amundsenzee bij West-Antarctica in de loop van deze eeuw een kantelpunt wordt bereikt, met ingrijpende gevolgen voor de zeespiegelstijging. In dit gebied ligt genoeg ijs om de zeespiegel met 5,3 meter te laten stijgen. In Nederland zou dat nog meer zijn, door zwaartekracht-effecten. Het artikel zegt niet dat ál dit ijs zal verdwijnen. Maar wel dat enkele meters zeespiegelstijging in de komende eeuwen redelijkerwijs niet meer te voorkomen zijn en dat de ijskap van West-Antarctica in zijn huidige vorm niet te behouden is. De snelheid waarmee dit gebeurt hangt mede af van de onvoorspelbare interne variabiliteit van het klimaat in dit gebied. De auteurs van het artikel zeggen het zo:

The opportunity to preserve the WAIS [West Antarctic Ice Sheet – HC] in its present-day state has probably passed, and policymakers should be prepared for several metres of sea-level rise over the coming centuries. Internal climate variability, which we cannot predict or control, may be the deciding factor in the rate of ice loss during this time.

Anders dan je misschien zou verwachten is dit geen glaciologisch, maar een oceanografisch onderzoek. Met wel een belangrijk raakvlak met de glaciologie. De kwetsbaarheid van de ijskap in dit gebied is bekend. Het ijs rust grotendeels op een bodem die beneden de zeespiegel ligt. Aan de randen loopt dit ijs uit op dikke, op het zeewater drijvende ijsplaten. Het smelten van dat drijvende ijs heeft weliswaar geen directe invloed op de zeespiegel, maar er is wel een groot indirect effect. De ijsplaten remmen namelijk de stroming van het ijs in de achterliggende gletsjers af. Geheel of gedeeltelijk smelten van een ijsplaat leidt tot een snellere stroming van zo’n gletsjer. De grondlijn, waar de op de zeebodem liggende gletsjer overgaat in een drijvende ijsplaat, kan zich dan terugtrekken. Door specifieke omstandigheden bij West-Antarctica geeft dat een extra versnelling: de bodem heeft landinwaarts een neerwaartse helling; een terugtrekkende grondlijn komt dus dieper te liggen en hierdoor kan een gletsjer sneller stromen. In het ergste geval wordt de gletsjer instabiel en verdwijnt hij volledig.

Lees verder

Struisvogelgedrag over een scenario

Foto: Bibake Uppal / Unsplash

Het viel te verwachten: in reacties op de KNMI-klimaatscenario’s kwam er weer een hele hoop kritiek op het gebruik van het hoge emissie-scenario SSP5-8.5 (vergelijkbaar met het oudere RCP8.5). De argumenten van critici waren meestal nogal eenzijdig en soms zelfs ronduit misleidend.

Het eenzijdige zit ‘m erin dat de kritiek alleen is gericht op het pessimistische scenario. Het is zeker waar dat dit scenario het afgelopen decennium minder waarschijnlijk is geworden. Aan de andere kant zijn we ook nog wel een eind verwijderd van scenario SSP1-2.6, dat de KNMI-scenario’s aan de optimistische kant begrenst. Wetenschappelijk bewijs voor welke van die twee scenario’s het minst realistisch is bestaat er niet. Sinds het Akkoord van Parijs is er zeker veel in beweging gezet, maar dat betekent ook weer niet dat er alleen maar goed nieuws is. Als we iets niet kunnen voorspellen, dan is het wel de wereldpolitiek. Elke inschatting hierover is dus niks meer dan een subjectieve mening.

Het KNMI schetst dus een vrij ruime bandbreedte aan mogelijke toekomstige ontwikkelingen, en dat is natuurlijk heel redelijk. Het is een indicatie van wat er zou kunnen gebeuren, afhankelijk van welke kant de wereld de komende eeuw op gaat. Het simpele feit dat er meerdere scenario’s zijn uitgewerkt maakt voor de goede verstaander al duidelijk dat er niet één specifieke (pessimistische of optimistische) toekomst wordt voorspeld.

Critici lijken te vinden dat meevallers, zoals plannen om de toekomstige uitstoot te reduceren, onmiddellijk als zekerheid ingeboekt moeten worden in de scenario’s. En dat mogelijke tegenvallers, zoals beleid dat minder succesvol is dan werd verwacht, of dat onder invloed van een sterke lobby wordt teruggedraaid, direct uitgesloten moeten worden. Het komt uiteindelijk toch neer op je kop in het zand steken voor niet zo waarschijnlijke, maar potentieel wel extreme gevolgen. Dergelijk gedrag is weliswaar heel menselijk, zoals alle risicodeskundigen weten, maar niet zo verstandig. Natuurlijk kunnen we ervoor kiezen om het risico te nemen en ons niet voor te bereiden op het ergst denkbare scenario. Dat is een politiek besluit, dat best redelijk lijkt. Maar om dat besluit op een doordachte manier te kunnen nemen, moet wel bekend zijn wat dan precies het risico is dat we ermee nemen. Je moet het beest in de bek kijken om te besluiten of zo gevaarlijk is dat iets moet doen om je ertegen te beschermen.

Lees verder

Nieuwe KNMI klimaatscenario’s: heter en extremer

De vorige stamden uit 2014, dus het werd hoog tijd voor een update: vandaag werden de nieuwe KNMI klimaatscenario’s aan demissionair minister Harbers van Infrastructuur en Waterstaat overhandigd. Die geven de bandbreedte aan waarbinnen het Nederlandse klimaat zich waarschijnlijk zal ontwikkelen, o.a. afhankelijk van de mondiale uitstoot van broeikasgassen.

Niet langer ver-van-mijn-bed

Klimaatverandering is niet meer weg te denken. We worden er bijna dagelijks mee geconfronteerd: de berichten over extreme hitte, droogte, bosbranden en overstromingen buitelen over elkaar heen. En vaker dan voorheen ook in onze spreekwoordelijke achtertuin. Het is niet langer een ver-van-mijn-bed show.

Dat betekent dat we ons hoe dan ook weerbaarder moeten maken tegen de veranderingen die al gaande zijn: adaptatie. Maar om klimaatverandering beheersbaar te houden moeten we de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen drastisch terugdringen. Nota bene: “we” slaat natuurlijk op de hele wereld; niet alleen Nederland. Maar natuurlijk wel inclusief een rijk en CO2-intensief land als Nederland.

Anders dan vorige keer zijn nu ook scenario’s doorgerekend voor Caribisch Nederland, namelijk Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de zogenaamde BES-eilanden, drie bijzondere gemeenten van Nederland).

Twee dimensies: hoge/lage uitstoot; vernatting/verdroging

Om de spreiding van mogelijkheden te vangen wordt een hoog (SSP5-8.5) en een laag uitstootscenario (SSP1-2.6) gebruikt. Er is nog een lager IPCC emissiescenario (SSP1-1.9), maar daar zijn niet genoeg modelruns van beschikbaar om de analyses mee uit te voeren. De beste schatting van de mondiale opwarming eind deze eeuw bij het hoge scenario is 4,9°C t.o.v. eind 19de eeuw; in het lage scenario is dat 1,7°C.

Lees verder

Slecht nieuws voor schaatsliefhebbers: de koudste types winterweer warmen het snelste op

Foto: Robert van Stuyvenberg

De zomer loopt alweer op zijn eind. Het weer is er nog niet naar om nu al handschoenen, sjaals en mutsen uit de kast te halen, maar met een maand of twee, drie zou dat anders kunnen zijn. Mocht het dan een paar dagen gaan vriezen, dan zal ongetwijfeld de vraag weer opduiken of er ooit nog een Elfstedentocht zal komen. Uitgesloten is dat niet, maar er is niet al te veel reden voor optimisme. Dat blijkt uit een artikel over de snelheid waarmee verschillende typen winterweer in Europa warmer worden, dat enkele maanden geleden verscheen.

Het resultaat is vrij eenduidig: de koudere weertypes zijn de afgelopen veertig jaar meer opgewarmd dan de minder koude. Dat is ook best logisch. Het wordt echt koud als er lucht vanuit het poolgebied naar Europa stroomt. En het noordpoolgebied warmt heel sterk op. Een stroming vanaf de Atlantische Oceaan zorgt voor mild winterweer, en die oceaan is juist minder opgewarmd dan het mondiaal gemiddelde. Hieronder is het temperatuurverschil afgebeeld tussen de gemiddelde temperatuur tijdens onze meteorologische winter (de maanden december, januari en februari) van de afgelopen twintig jaar en van de periode 1970 – 1990.

Lees verder

Berkeley Earth: het verhaal van een echte scepticus

Verandering van de gemiddelde wereldtemperatuur in juni volgens Berkeley Earth.

Onlangs publiceerde Berkeley Earth de maandelijkse update van hun dataset met temperatuurgegevens met de temperatuur van afgelopen juni. Het was de warmste juni sinds het begin van de metingen, 1850. De kans is groot dat dit jaar het warmste jaar uit de reeks zal worden. Zoals dat nu eenmaal gaat, leidde het bericht op Twitter tot een stortvloed aan verdachtmakingen, beledigingen en het oplepelen van het complete, al uitgebreid weerlegde pseudosceptische standaardrepertoire. Niks bijzonders, maar omdat het over Berkeley Earth gaat wel een beetje ironisch.

Natuurkundige Richard Muller begon in 2010 namelijk met wat toen het Berkeley Earth Surface Temperature (BEST) project werd genoemd, omdat hij de gegevens die er waren over het opwarmen van de aarde niet vertrouwde. Er waren destijds vier van die gegevensreeksen die metingen van de temperatuur aan het aardoppervlak van over de hele wereld combineerden tot een totaaloverzicht. De oudste was HadCRUT, ontstaan vanuit onderzoek in de jaren ‘80 van de Climatic Research Unit (CRU) van de Universiteit van East-Anglia. Daar hadden wetenschappers minutieus de gegevens van honderden weerstations van over de hele wereld doorgeplozen om de wereldwijde temperatuurveranderingen boven land vast te kunnen stellen. Daarna gingen ze aan de slag met metingen van de temperatuur van het oceaanoppervlak door scheepsbemanningen. Traditioneel werd die temperatuur gemeten door een emmer water uit zee te scheppen en daar een thermometer in te zetten. Later kwamen er ook schepen met een automatische temperatuurmeting bij de inlaat van het koelwater voor de motor. Een flinke klus om daar een consistent geheel van te maken, maar in 1986 was dat gelukt. Nog wat later, in 1989, konden ze hun dataset maandelijks actualiseren met meetgegevens van over de hele wereld.

Lees verder

De mariene hittegolf in de Atlantische Oceaan

Temperatuurafwijking in de noordelijke Atlantische Oceaan op 4 juli. Screenshot van earth.nullschool.net.

Wie het klimaatnieuws een beetje volgt kan het onmogelijk zijn ontgaan: de noordelijke Atlantische Oceaan is al enkele maanden extreem warm. Eigenlijk kun je er als klimaatblogger niet omheen om hier iets over te schrijven. Maar wat? Het is een extreem dat door klimaatverandering extremer is gemaakt, zoveel is duidelijk. Heel veel meer valt er vanuit wetenschappelijke invalshoek niet over te zeggen. Nog niet. Je kunt eventueel nog een overzicht geven van factoren die naast de opwarming door stijgende broeikasgasconcentraties mee kunnen spelen. Dat overzicht is enkele weken geleden al geschreven door Erwin Lambert en Sybren Drijfhout voor het KNMI. Er wordt ongetwijfeld hard gezocht naar aanwijzingen die meer kunnen zeggen over de mate waarin die factoren bijdragen. Maar de eerste wetenschappelijke publicaties daarover zullen nog wel de nodige maanden op zich laten wachten. Goed onderzoek kost tijd. En het proces van peer review ook.

Temperatuurafwijking van de noordelijke Atlantische Oceaan op 3 juli, Bron: Climate Reanalyzer.
Lees verder

Attributiestudie vindt geen aantoonbare invloed van klimaatverandering op overstromingen in Emilia-Romagna

Overstroming in de omgeving van Ravenna. Bron: Vigili del Fuoco.

Of het een nieuw record is weet ik niet, maar het is World Weather Attibution (WWA) gelukt om in twee weken tijd een attributie-onderzoek uit te voeren naar de overstromingen die in mei de regio Emilia-Romagna in Italië troffen. WWA is een samenwerkingsverband van wetenschappers, onder meer van het KNMI, dat je zou kunnen zien als de forensische recherche van de klimaatwetenschap. Ze onderzoeken in hoeverre het veranderde klimaat invloed heeft op rampen die veroorzaakt zijn door extreme weersomstandigheden. Ze gebruiken daarbij alleen beproefde wetenschappelijke methodes, die al in de peer reviewed wetenschappelijke literatuur zijn gepubliceerd. Nogmaals een tijdrovende peer review is dan meer echt nodig, waardoor het resultaat snel gepubliceerd kan worden. Deze keer heel snel.

In een warmer klimaat verdampt er meer water en al dat water komt ook weer als neerslag naar beneden. En dus valt er ook meer, soms extremere neerslag. Je zou dus kunnen verwachten dat klimaatverandering ook in dit geval een rol van betekenis heeft gespeeld, omdat de overstromingen immers werden veroorzaakt door een periode van extreme neerslag. Opvallend genoeg concluderen de onderzoekers dat dat niet het geval is. Niet omdat de wereldwijde klimaatverandering dit stukje van Italië heeft overgeslagen. Maar omdat twee gevolgen van klimaatverandering hier een tegengestelde kant op werken en elkaar daardoor grotendeels compenseren.

Lees verder

Ook bij Antarctica vertraagt de circulatie van de oceaan

‘Watervallen’ van koud en zout water vanaf de continentale plaat van Antarctica naar de diepzee. Bron: Matthew England

Er is de afgelopen jaren, ook bij ons, regelmatig aandacht geweest voor een vertraging in de circulatie van het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, als gevolg van het smelten van het ijs op Groenland. Inmiddels wordt in de wetenschappelijke literatuur ook het nodige geschreven over een vergelijkbaar verschijnsel bij Antarctica. Vergelijkbaar, maar niet identiek. De situatie is bij Antarctica namelijk behoorlijk anders dan bij Groenland. Zo vormt de oceaan bij Groenland het eindpunt van het deel van de oceanische transportband dat warmte vanuit de tropen noordwaarts vervoert. Het heeft onder meer invloed op ons klimaat in West-Europa. Bij Antarctica cirkelt de hoofdstroom aan het oppervlak rond het continent, waardoor dat wordt afgeschermd van water uit warmere streken. Natuurlijk is er nog wel wat uitwisseling – er staat geen enorme dam rond de Zuidelijke Oceaan – maar die is vrij beperkt.

Schematische weergave van de mondiale circulatie in de oceanen. Bron: Wikipedia.
Lees verder