De gemiddelde Nederlander kent het KNMI voornamelijk van de dagelijkse weersverwachting. Daarnaast wordt er echter ook hoogwaardig onderzoek verricht o.a. op het gebied van de klimaatwetenschap. Daarin speelt het KNMI op het hoogste niveau mee.
De nieuwste KNMI publicatie, van Richard Bintanja, Geert Jan van Oldenborgh, Sybren Drijfhout, Bert Wouters en Caroline Katsman, verscheen op 31 Maart 2013 in Nature Geoscience en betreft een verklaring voor de toename van de zeeijsbedekking rond Antarctica.
In tegenstelling tot het Arctische gebied, waar de zeeijsbedekking met ca 4.1% per jaar afneemt, neemt dit in het Antarctische gebied juist toe en wel met 0.9% per jaar (zie deze NSIDC pagina of SkS post). Hoe kan dat nu als de wereld opwarmt zou je je kunnen afvragen?
De publicatie van Bintanja et al geeft een plausibele en fysisch logische verklaring voor de observaties, welke tevens door modelsimulaties onderbouwd wordt. Kort gezegd komt het er op neer dat het afsmelten van landijs (vnl door warm oceaanwater) zorgt voor een koude en zoete (en dus lichtere) laag water aan het oppervlak. Deze laag fungeert als een koude deksel op het warmere diepere water, en in dit koude oppervlaktewater kan zeeijs zich verder uitbreiden.
Men stelt zich bij het pakijs boven op de Arctische Oceaan vaak een monolithische, drijvende ijsplaat uit één stuk voor. Van dichterbij bekeken wordt al snel duidelijk dat het eigenlijk een verzameling van grotere en kleinere ijsschotsen is. We kennen allemaal de beelden van ijsschotsen die in de zomer door open water gescheiden worden, maar zelfs tijdens de winter ontstaan er in de poolkap barsten die honderden tot duizenden kilometers lang kunnen worden en weer snel dichtvriezen.
Dit verklaart hoe sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw onderzeeërs in staat waren om ter hoogte van de Noordpool tevoorschijn te komen (op de foto hierboven is te zien hoe de USS Connecticut op 19 maart 2011 aan de oppervlakte verschijnt; copyright: Kevin S. O’Brien, U.S. Navy). De onderzeeërs konden niet door het dikke ijs breken en moesten dan op zoek naar een zogeheten lead waar het ijs dunner was. Vreemd genoeg wordt dit fenomeen misbruikt door mensen die het bestaan en de mogelijke gevolgen van de door de mens veroorzaakte opwarming van de Aarde ontkennen, alsof het zou bewijzen dat de huidige ontwikkelingen in het hoge noorden niet ongewoon zijn. Maar het bewijst helemaal niets, omdat barsten altijd al een normale eigenschap van de Arctische zee-ijskap zijn geweest.
‘Normaal’ is echter een woord dat de laatste jaren steeds minder van toepassing is op het Arctische gebied. Het smeltseizoen van 2012 was een nieuwe climax in een serie van recordjaren en liet zien dat het zee-ijs dunner is dan het in lange tijd is geweest. We hoeven niet eens het komende smeltseizoen af te wachten om dit herbevestigd te zien, aangezien het aan het einde van het huidige vriesseizoen al zichtbaar is. Zoals net gezegd zijn barsten in het zee-ijs gebruikelijk in het Arctische gebied, maar de video hieronder gemaakt door het Visualization Lab van Amerikaans meteorologisch instituut NOAA toont een gebeurtenis die zeer zeldzaam, zo niet uniek is voor deze tijd van het jaar:
IJs, hoe dun ook, breekt niet uit zichzelf, maar heeft daarvoor wind nodig. Deze wind werd in dit geval veroorzaakt door een groot, krachtig en koppig hogedrukgebied dat een maand geleden ontstond en de Beaufort Gyre aanzwengelde, een oceaanstroming die zee-ijs van de Noord-Amerikaanse kust richting Siberië vervoert.
De volgende korte animatie van ASCAT radarbeelden met een interval van 10 dagen laat de beweging zien vanaf 1 januari, vergeleken met de drie voorgaande winters. De zwarte stip stelt de Noordpool voor, de witte massa daaronder is het noordelijke deel van de Groenlandse IJskap, de lichtere kleuren staan voor het dikkere meerjarige zee-ijs dat het vorige smeltseizoen heeft overleefd:
Begin maart 2013 verscheen in Science een artikel over een temperatuurreconstructie betreffende de laatste 11 duizend jaar. De hoofdauteur is Shaun Marcott van de Oregon State University en de tweede auteur Jeremy Shakun, die we nog kennen van het vorig jaar gepubliceerde en interessante onderzoek over de relatie tussen CO2 en de temperatuur tijdens en na het einde van de laatste ijstijd.
De temperatuurreconstructie van Marcott is de eerste die de gehele periode van het Holoceen bestrijkt. Uiteraard is die niet volmaakt en de komende jaren zal deze op details waarschijnlijk wat veranderen. Een normaal onderdeel van het wetenschappelijke proces.
De temperatuurreconstructie eindigt halverwege de vorige eeuw, derhalve is in de grafieken van hun studie de snelle temperatuurstijging na 1850 duidelijk zichtbaar. En wat ziet men dan? Opnieuw iets dat lijkt op een hockeystick zoals de grafiek in Mann et al 2008.
Onder deze titel is op de website ClimateDialogue een discussie gehouden over de mogelijke oorzaken van het verdwijnen van het Arctische zee-ijs gedurende de afgelopen decennia. Drie experts namen daar aan deel, dit waren Walt Meier, Research Scientist bij het NSIDC, Judith Curry, professor bij het Georgia Institute of Technology en Ron Lindsay, Senior Principal Physicist bij de University of Washington, department Polar Science Center.
In dit blogstuk geef ik allereerst een situatieschets van de observaties van het Arctische gebied en daarna een kort overzicht van de oorzaken van de teruggang van het zee-ijs met daarin verwerkt de meningen zoals die door de drie experts op ClimateDialogue zijn geuit. De laatste onderdelen betreffen de uniciteit van de afname van het ijs in historisch perspectief en het mogelijk ijsvrij worden in de zomer.
Resultaten van de observaties van het Arctische gebied sinds 1979
Sinds 1979 wordt het Arctische gebied uitgebreid gemonitord met satellieten. Het betreft hier o.a. het oppervlak aan ijs, de omvang van het gebied bedekt met ijs en tevens de hoeveelheid ijs. Het resultaat daarvan is in meerdere opzichten opzienbarend. Zo is het ijsoppervlak en de hoeveelheid meerjarig ijs in de afgelopen 3 decennia in hoog tempo afgenomen, gevisualiseerd door onderstaande beelden gegenereerd door Nasa (zie hier en hier).
Na enkele pittige discussies met Bert Amesz kreeg ik onlangs de kans om zijn boek te bekijken. Die kans kon ik niet laten liggen. Het eerste deel van deze blogpost is een bespreking van het boek; het tweede deel gaat wat verder in op de visie van Bert Amesz op de klimaatwetenschap.
Het boek: Aan de knoppen van het klimaat
Laat ik met het positieve beginnen: er is bijzonder veel aandacht besteed aan de vormgeving en aan fraaie illustraties. En Amesz is bereid om zonder morren bepaalde elementaire wetenschappelijke inzichten, zoals het broeikaseffect, te accepteren.
Het boek wordt gepresenteerd als een populair-wetenschappelijke uitgave over alles wat met klimaatwetenschap en klimaatverandering te maken heeft. Maar meer dan dat is het een boek met een boodschap. Die boodschap klinkt van de eerste tot en met de laatste pagina luid en duidelijk door: het valt reuze mee met die klimaatverandering en al helemaal met de menselijke invloed; voor zover we er al iets over kunnen zeggen, want er is nog zo veel onbekend en onzeker en de wetenschap is tot op het bot verdeeld. Het feit dat verschillende wetenschappelijke instituten in de wereld onafhankelijk van elkaar – en dus niet volledig identiek – gegevensreeksen over de wereldtemperatuur bijhouden wordt opgevoerd als bewijs van tweespalt en zelfs ruzie in de wetenschappelijke wereld. Dat een overgrote meerderheid van de wetenschappers spreekt van consensus, dat die overgrote meerderheid het met elkaar eens is dat een aanzienlijke menselijke invloed zeer waarschijnlijk is, meldt het boek dan weer niet. Amesz schetst liever het beeld van “onderzoekers van het IPCC” die de opdracht zouden hebben om zich op de menselijke invloed te concentreren. In werkelijkheid heeft het IPCC geen onderzoekers in dienst, verstrekt het ook geen onderzoeksopdrachten en geeft het op geen enkele manier sturing aan het klimaatonderzoek dat aan tal van gerenommeerde wetenschappelijke instituten over de hele wereld wordt uitgevoerd.
Amesz meent dat hij net zo veel gewicht toe moet kennen aan verhalen van clubs als het NIPCC – enkel en alleen opgericht om twijfel te zaaien over de wetenschap – als aan de door tienduizenden wetenschappers ondersteunde IPCC-rapporten. Dat het IPCC in de wetenschap een middenpositie inneemt en dat de geschiedenis laat zien dat de wetenschap juist geneigd is tot terughoudendheid wil hij al helemaal niet weten. Deze “framing” van de discussie zien we vaker: de breed geaccepteerde wetenschap wordt als een “alarmistisch” uiterste in het spectrum aan opvattingen afgeschilderd en tegenover het andere uiterste – de ontkenning van de elementaire wetenschap van het broeikaseffect – geplaatst, alsof de redelijkheid hier in het midden zou liggen.
De positie van sceptici, alarmisten en de wetenschap
De gemiddelde oppervlaktetemperaturen van de aarde, gemeten via ‘thermometers’, worden door een aantal instituten verzameld, de bekendste van deze datasets zijn GISTEMP, HadCRUT en NCDC. Sinds 1979 worden er eveneens temperatuurdata voor de lagere troposfeer vrijgegeven door de University of Alabama in Huntsville (UAH) en Remote Sensing Systems (RSS), die gemeten zijn via satellieten.
De temperaturen van deze twee meetmethodieken vertonen verschillen, zoals bijvoorbeeld: de NCDC data geven een trend boven het landoppervlak van 0.27 °C/decennium voor de periode 1979 t/m 2012, terwijl over dezelfde periode de trend over de satellietdata van UAH een stuk lager is met 0.18 °C/decennium. Dit terwijl de trends over mondiale temperaturen kleinere verschillen vertonen, voor NCDC en UAH resp. 0.15 °C/decennium en 0.14 °C/decennium over dezelfde periode.
Big deal? Bijna alles wat betrekking heeft op het klimaat is een ‘big deal’, dus voor deze trendverschillen is dat niet anders. In een wereld die warmer wordt, zou, ongeacht de oorzaak van de opwarming, de hogere troposfeer namelijk gemiddeld meer op moeten warmen dan het oppervlak en de data op basis van UAH (en RSS) laten dat niet zien.
Waarom zou het hoger in de troposfeer meer op moeten warmen en wat is de oorzaak van deze trendverschillen tussen de oppervlaktetemperaturen en de satelliettemperaturen?
Gastblogger Hans Custers behandelt “De 10 redenen waarom er geen klimaatcatastrofe komt” van Climategate.nl
Ik geef het toe, “Epiloog” is een nogal pretentieuze benaming voor wat losse eindjes die zijn blijven liggen na de top 10 serie. Maar het staat zo mooi. Over naar de losse eindjes.
Het meest opvallend is voor mij wel hoe overbekend alle punten uit de top 10 zijn die ik de afgelopen maanden heb doorgenomen. In verhalen van klimaatsceptici lezen we om de haverklap dat de grote doorbraak er nu toch echt is, of anders wel dat hij er op korte termijn zit aan te komen. Maar een klimaatsceptische top 10 zou er 5 jaar geleden nauwelijks anders uitgezien hebben dan het huidige lijstje. Oude wijn in nieuwe zakken. De weerleggingen zijn ook al jaren bekend. Dag in dag uit zien we hoe sceptici die weerleggingen negeren. Op die manier weigeren ze systematisch de discussie een stap verder te brengen. Jarenlang dezelfde kreten herhalen is blijkbaar genoeg om twijfel te zaaien. Twijfel ondermijnt het gevoel van urgentie in de samenleving om het probleem aan te pakken. We kunnen alleen maar concluderen dat het daar allemaal om begonnen is.
In elke wetenschappelijke discipline komen dwarsliggers voor: mensen die de gevestigde orde en opvattingen steeds weer uitdagen. Zo hoort het ook, om verder te komen heeft de wetenschap die permanente uitdaging nodig. Ook de klimaatwetenschap zou deze dwarsliggers moeten koesteren, hoe irritant ze soms ook kunnen zijn. Het vervelende is dat het onderscheid tussen deze dwarsliggers en politiek gemotiveerde wetenschapsbashers heel onduidelijk is geworden. Ook in dit opzicht bewijst de klimaatsceptische campagne de wetenschap een slechte dienst.
Gastblogger Hans Custers behandelt “De 10 redenen waarom er geen klimaatcatastrofe komt” van Climategate.nl
10. Wiens brood men eet diens woord men spreekt ofwel follow the money
Als ergens uit blijkt dat de discussie over het klimaat een botsing van wereldbeelden is, dan is het wel dit argument. Niet alleen omdat ik niet het idee heb dat klimaatwetenschappers rijk worden van hun onderzoek, maar vooral omdat het totaal niet klopt met wat ik dagelijks in de wereld om mij heen zie gebeuren. De wereld van de klimaatsceptici is blijkbaar heel anders dan die van mij. In die wereld zijn politici dol op enorme problemen, die ingrijpende en bij een aanzienlijk deel van hun kiezers impopulaire maatregelen nodig maken. Daarom bestellen ze zo’n enorm probleem bij de klimaatwetenschap. Vervolgens stellen ze de benodigde maatregelen steeds weer uit, om op die manier een groot gebrek aan daadkracht uit te stralen. Daar zul je in de klimaatsceptische wereld wel verkiezingen mee winnen.
In diezelfde wereld zijn vrijwel alle klimaatwetenschappers gewetenloze egoïsten, die werkelijk alles doen – als het moet houden ze de hele wereld voor de gek – om maar zo veel mogelijk geld binnen te slepen voor hun onderzoek. Behalve gewetenloos zijn ze trouwens ook nog behoorlijk dom. Want ze denken dat geld zeker te krijgen als ze tegen hun opdrachtgevers zeggen dat ze er wel zo’n beetje uit zijn; als ze de onzekerheden die er nog zijn zo veel mogelijk wegmoffelen. Hoe minder er nog onzeker is, hoe meer er overblijft om te onderzoeken, in deze vreemde, omgekeerde wereld.
De gegevens over 2012 van de meest gevolgde temperatuur datasets GISTEMP, HadCRUT4, NCDC, UAH en RSS zijn inmiddels bekend. Het jaar 2012 is bij deze datasets warmer dan 2011 en staat bij 4 ervan in de top 10. Het warmste jaar voor de oppervlaktetemperaturen is nog steeds 2010 en bij de lagere troposfeer temperaturen, gemeten met satellieten, is het warmste jaar 1998 (de satellietdata heb ik gemiddeld op basis van hun maanddata). Alle andere jaren in de top 10 beginnen allemaal met een 2, wat aangeeft dat de jaren van deze eeuw tot nu toe allemaal zeer warme jaren zijn geweest.
In figuur 1 staan de mondiale jaargemiddelde temperaturen gerangschikt van hoog naar laag. Zoals gewoonlijk wordt de “anomalie” gegeven: het verschil met de gemiddelde temperatuur over een bepaalde referentieperiode. Deze periode verschilt voor verschillende datasets; dit veroorzaakt mede de verschillen in de temperaturen tussen de datasets.
Figuur 1: De mondiale temperaturen gerangschikt naar temperatuur.
Naast de zoekfunctie is er ook deze lijst met blogposts, gerangschikt naar onderwerp. Wij schrijven voornamelijk over klimaatwetenschap en het publieke klimaatdebat.
De theorie van warmte: Een geschiedenis van de wetenschap achter klimaatverandering
Uitgegeven door Athenaeum.
Wat iedereen zou moeten weten over klimaatverandering
Uitgegeven door Prometheus