Tagarchief: temperatuur

Hiaten in de temperatuurstijging?

Door Geert Jan van Oldenborgh, KNMI

“De laatste jaren warmt de aarde niet meer op” is tegenwoordig een veelgehoorde opmerking. Is dat inderdaad zo, en is de conclusie dan ook dat de verdere opwarming onderschat wordt door de klimaatmodellen waarop het IPCC en KNMI hun toekomstverkenningen baseren? En hoe komt het dan dat Nederland, Europa en misschien de wereld in 2014 weer op een temperatuurrecord afstevenen?

De stijging van de wereldgemiddelde temperatuur vlakt af

De meest gebruikte maat voor de opwarming is de wereldgemiddelde temperatuur. Deze heeft een vreemde definitie: het is de zeewateroppervlaktetemperatuur (SST) boven open water en de 2-meter temperatuur boven land. (De gebieden met zeeijs worden niet meegenomen of geïnterpoleerd vanaf landstations.) De reden hiervoor is een praktische: er zijn veel meer metingen van de zeewatertemperatuur dan van de luchttemperatuur boven zee, en de oceanen beslaan nu eenmaal 70% van het aardoppervlak. Het verschil tussen SST en T2m boven zee is klein en verandert niet veel, dus als we alleen naar de anomalieën kijken maakt dat verschil niet uit.

Figuur 1: De anomalie van de jaargemiddelde wereldgemiddelde temperatuur (GISTEMP, NASA/GISS), waarin gebieden zonder metingen geïnterpoleerd worden. 2014 is een schatting gebaseerd op de metingen van januari-november en persistentie voor december.

Het oude argument was dat de wereld sinds 1998 niet meer is opgewarmd. Je kan die uitspraak op twee manieren interpreteren. De eerste manier was dat er geen warmer jaar gekomen is. Dat jaar was namelijk door de record-sterke El Niño van 1997/1998 een kwart graad warmer dan de trendlijn van 0.16 K/10jr. Dat record is echter in 2005 en 2010 gebroken, dus dat argument gaat niet meer op. Een verwarrende omstandigheid is dat in één oude dataset, HadCRUT3 van het Britse Met Office, de bijdrage van het sterk opwarmende noordpoolgebied systematisch onderschat werd, zodat die 1998 wel als warmste jaar beschouwde. Dat is inmiddels gecorrigeerd in de nieuwe HadCRUT4 dataset, waarin de metingen van veel meer stations in het poolgebied opgenomen zijn.
Lees verder

Jazeker hebben wij mensen voor opwarming gezorgd!

“It is extremely likely that human influence has been the dominant cause of the observed warming since the mid-20th century.”

Meestal gaan we op dit blog in veel stukken diep op de wetenschap in, wat voor nieuwkomers in het klimaatonderzoek lastig te volgen kan zijn. Dit keer probeer ik de basis te bespreken van de achtergrond van de bovenstaande zin. Het is een stuk tekst uit de samenvatting voor beleidsmakers van het IPCC AR5-rapport van 2013: de mens is de belangrijkste veroorzaker van de opwarming van de aarde sinds 1950. Niet iedereen gelooft deze uitspraak, maar de klimaatwetenschap is er toch erg zeker van.

De temperatuurverandering

Nadat Galileo, Fahrenheit en Celsius zich in het verre verleden met het meten van de temperatuur en de thermometer hadden bemoeid, hebben mensen ook de temperatuur van hun omgeving gemeten en vastgelegd. In Nederland startte dat bijvoorbeeld al aan het einde van de 17e eeuw. Naarmate de tijd vorderde, werden deze meetmethoden uiteraard steeds beter en werd er op steeds meer plaatsen in de wereld gemeten. Deze temperatuurmetingen vormen de basis van de bepaling van de mondiale temperatuurverandering van de afgelopen paar honderd jaar door een aantal onderzoeksgroepen. De bekendste groepen die zich daar mee bezighouden zijn NASA GISS en NOAA-NCDC uit de VS, het Engelse Met Office Hadley Centre/CRU of het Japan Meteorological Agency, je komt hun gegevens vaak tegen onder de namen GISTEMP, NCDC, HadCRUT en JMA. De Amerikaanse groepen rapporteren mondiale temperatuurdata die starten in 1880, de Japanse data starten in 1891 en de data van de Engelse groep starten zelfs in 1850.

De grafiek in onderstaande figuur komt uit het IPCC AR5-rapport en geeft de temperatuurontwikkeling op aarde weer vanaf 1850, gebruik makend van de resultaten van de drie hierboven genoemde onderzoeksgroepen. In de grafiek is de gemiddelde temperatuur op aarde over de periode 1961 – 1990 op 0 gesteld en dus geven alle lijnen in de grafiek de afwijking van de temperatuur weer t.o.v. die referentie periode (de temperatuur anomalie). Eén ding valt direct op als je naar de grafiek kijkt: het is warmer geworden op aarde sinds het einde van de 19e eeuw en dan vooral na 1970. Na 1970 is ook elk decennium warmer geweest dan het voorgaande. Volgens het IPCC is het op aarde sinds 1880 circa 0,85 °C warmer geworden en na 1950 circa 0,65 °C.

Figuur 1: De temperatuurverandering op aarde sinds 1850 waarbij drie temperatuurdatasets zijn gebruikt (HadCRUT – zwart, GISTEMP – blauw, NCDC – oranje). Gebaseerd op figuur SPM.1a uit het IPCC AR5 rapport 2013.

Lees verder

Klimaatmodellen en de Tijdmachine van Meehl

Klimaatmodellen en de ‘hiatus’

Klimaatmodellen. Gooi dit woord in een groep van zogenaamde klimaatsceptici en je krijgt ongetwijfeld een flinke dosis hoon over je heen. De oorzaak van dit interessante fenomeen is gelegen in het feit dat de prognoses van het IPCC voor diverse toekomstscenario’s onder meer zijn gebaseerd op berekeningen met, jazeker: Klimaatmodellen. Die prognoses laten zien dat het op aarde flink warmer zal worden als we op deze wijze doorgaan met het uitstorten van broeikasgassen in de atmosfeer. Uiteraard vindt men dit in klimaatsceptische kringen geheel onjuist, want ieder kind kan zien dat de klimaatmodellen totaal onbruikbaar zijn: de beroemde ‘hiatus’ – de langzamere stijging van de oppervlaktetemperatuur na circa 2000 t.o.v. de 30 jaar daarvoor – is niet voorspeld door de klimaatmodellen. Zie figuur 1.

Figuur 1. 82 CMIP5 model runs op basis van het RCP8.5 scenario (licht blauwe lijnen) met hun gemiddelde (de zwarte lijn). De rode meetpunten zijn HadCRUT4 data en de blauwe de Cowtan & Way data (van de methode ‘Hybrid-UAH’), het jaar 2014 betreft de gegevens t/m juli. De dikke rode lijn en blauwe lijn zijn verkregen uit de HadCRUT4 en Cowtan & Way data via een Loess smooth over 30 jaar.

Lees verder

Spencer’s Grafiekengoochelarij

Roy Spencer is een klimaatwetenschapper met een mening die nogal afwijkt van de mainstream wetenschap zoals die in de IPCC rapporten is te vinden. Daar zou natuurlijk niets mis mee zijn, als hij die mening met degelijke data en artikelen zou onderbouwen, om daar de wetenschappelijke strijd mee aan te gaan.

Spencer heeft een eigen blog en zijn posts worden vaak gereblogd op WUWT. Maandag 10 februari zag ik op het blog van Roy Spencer een grafiek met daarin een vergelijking tussen de CMIP5 modellen, HadCRUT4 en UAH temperaturen. De conclusie van de grafiek, weergegeven in mooie rode letters, geeft aan dat de metingen fout moeten zijn want die wijken dramatisch af van de klimaatmodeldata.

Figuur 1. Een vergelijking van HadCRUT4, UAH en de CMIP5 modellen met als referentieperiode 1986-2005.

Lees verder

Het fabeltje over 16 jaar geen opwarming

Gastblog van Jos Hagelaars

“Er was eens..”, de eerste woorden van vele sprookjes en fabeltjes. Nu ik wat ouder geworden ben en ik mijn kinderen niet meer voor hoef te lezen, had ik verwacht dat ik niet veel meer met fabeltjes in aanraking zou komen. Niets is minder waar. De zogenaamde klimaatsceptici kwamen al regelmatig met allerlei fabeltjes aanzetten over het klimaat, die niets met wetenschap van doen hebben, maar de laatste tijd word ik wel erg vaak geconfronteerd met het fabeltje / onwaarheid dat de aarde al zo’n 16 jaar niet meer opwarmt. “Er was eens…” is veranderd in “Er was geen…”, maar het blijft een verzinsel.
Was het maar waar!
Helaas, rond 1997 is de opwarming van de aarde niet gestopt. De troposferische temperaturen zijn sinds 1997 minder snel gestegen dan over eenzelfde periode van ca 1981 t/m 1996, ze zijn echter wel degelijk gestegen. Andere indicatoren laten zien dat de opwarming van de aarde absoluut niet is gestopt. Hieronder enkele grafieken betreffende de temperatuur, de zeespiegel, de mondiale zee-ijs extent, de sneeuwbedekking op het Noordelijk Halfrond en de warmte inhoud van de oceanen (OHC – ocean heat content).

Vorig jaar oktober kwam de GWPF met de boodschap dat er al 15 jaar geen opwarming meer is en de Daily Mail maakte er 16 jaar van. Voor enkele andere Nederlandse voorbeelden zie de Staat van het Klimaat, of DDS (hier of hier) of onlangs hier bij de Open Discussie.
Inmiddels zijn er mensen die deze periode omtoveren in 18 jaar of zelfs ‘een kleine 20’. Dit alles natuurlijk gebaseerd op het idee: “Als ik een fabeltje vaak genoeg vertel, gaan anderen misschien geloven dat het een waar gebeurd verhaal is”.

Lees verder

Klotzbach Revisited

Gastblog van Jos Hagelaars

De gemiddelde oppervlaktetemperaturen van de aarde, gemeten via ‘thermometers’, worden door een aantal instituten verzameld, de bekendste van deze datasets zijn GISTEMP, HadCRUT en NCDC. Sinds 1979 worden er eveneens temperatuurdata voor de lagere troposfeer vrijgegeven door de University of Alabama in Huntsville (UAH) en Remote Sensing Systems (RSS), die gemeten zijn via satellieten.
De temperaturen van deze twee meetmethodieken vertonen verschillen, zoals bijvoorbeeld: de NCDC data geven een trend boven het landoppervlak van 0.27 °C/decennium voor de periode 1979 t/m 2012, terwijl over dezelfde periode de trend over de satellietdata van UAH een stuk lager is met 0.18 °C/decennium. Dit terwijl de trends over mondiale temperaturen kleinere verschillen vertonen, voor NCDC en UAH resp. 0.15 °C/decennium en 0.14 °C/decennium over dezelfde periode.

Big deal? Bijna alles wat betrekking heeft op het klimaat is een ‘big deal’, dus voor deze trendverschillen is dat niet anders. In een wereld die warmer wordt, zou, ongeacht de oorzaak van de opwarming, de hogere troposfeer namelijk gemiddeld meer op moeten warmen dan het oppervlak en de data op basis van UAH (en RSS) laten dat niet zien.
Waarom zou het hoger in de troposfeer meer op moeten warmen en wat is de oorzaak van deze trendverschillen tussen de oppervlaktetemperaturen en de satelliettemperaturen?

Lees verder

Reacties op de Wall Street Journal brief in de Volkskrant

Het blijft lastig uit te leggen, die korte termijn temperatuur trends. Zo schreven Martijn van Calmthout en Maarten Keulemans, in reactie op sceptische Wall Street Journal vertaling:

Inderdaad staat de opwarming van de aarde al zo’n 10 tot 15 jaar nagenoeg stil. Het is wel warmer dan zo’n vijftig jaar geleden, maar nóg warmer wil het al jaren niet worden. Dat geeft aan dat er van een lineaire, een-op-een-relatie met CO2 geen sprake is en we niet in rap tempo opmarcheren richting afgrond, zoals Al Gore destijds suggereerde.

Hier laten ze na om het belangrijke verschil te duiden tussen korte termijn variaties en de lange termijn onderliggende trend. Met jaarlijkse variaties tot +/- 0.25 graden is het volstrekt logisch dat er perioden zijn van 10-15 jaar waarin de onderliggende trend (0.17 graden per jaar over de afgelopen 35 jaar) tijdelijk gemaskeerd wordt. Twee alinea’s verder zeggen ze weliswaar dat de “stilstand” toeval kan zijn en aan een aantal koele La Nina jaren kan liggen, maar dat voelt een beetje als mosterd na de maaltijd.

De opmerking over Al Gore lijkt vooral strategisch bedoeld te zijn, om zichzelf als het zogenaamd objectieve midden te profileren door naar beide kanten uit te halen; daarover later meer.

De algemene teneur van hun reactie vind ik echter erg goed: De focus ligt op de grote lijnen van wat er bekend is (CO2 houdt warmte vast), op hoe wetenschap werkt (niets is ooit zeker), en op de redenen achter de grote publieke onenigheid over klimaatverandering (botsing van ideologieën).

Heel sterk is de volgende passage:

Wat de klimaatsceptici echter vergeten, is dat de meeste aanwijzingen wel één kant op wijzen. ‘Onweerlegbaar’ is dat CO2 infraroodstraling absorbeert en weer naar alle kanten uitzendt, de reden waarom atmosferen met veel CO2 warmte beter vasthouden dan atmosferen zonder CO2. Dat gegeven alleen al, gecombineerd met de waargenomen sprong in oppervlaktetemperaturen tussen 1975 en 2000, maakt het aannemelijk dat de dampkring opwarmt door menselijk toedoen.

Ze eindigen hun opiniestuk met de terechte opmerking dat onzekerheid niet betekent dat er geen maatregelen getroffen zouden moeten worden (in een sneeuwstorm rijden de meeste mensen per slot van rekening ook langzamer):

Liever achteraf constateren dat het best meeviel, dan straks moeten vaststellen dat we een ecologische ramp over ons hebben afgeroepen die we hadden kunnen voorkomen.

Al is dat natuurlijk een normatieve uitspraak, die buiten het gebied van de klimaatwetenschap ligt.

Maarten Keulemans ging in een blogpost dieper in op de 16 briefondertekenaars:

Hun gemiddelde leeftijd is 72 jaar. Zes hebben duidelijke en directe banden met de olie-industrie. Tien komen uit een hoek die inhoudelijk niets met het klimaat te maken heeft (…) En haast allemaal zijn ze verbonden aan rechts-conservatieve ‘denktanks’ en lobbygroepen (…).

Martijn van Camlthout schreef op zijn nieuwe blog over het gewraakte stuk:

Het (…) is geen opiniestuk, maar een kletsverhaal, dat er op speculeert dat de lezer eigenlijk van toeten noch blazen weet. Wat grosso modo natuurlijk ook zo is.

Kritisch blijven kijken naar de argumenten en de geloofwaardigheid is het devies.

Vandaag verscheen nog een aantal reacties in de Volkskrant, o.a. van J. van Huissteden, associate professor VU (specialisatie geologie en klimaatverandering):

De ideologische drijfveren van de auteurs worden duidelijk als het om de economie gaat.

De economie moet de komende vijftig jaar vooral niet gehinderd worden door het terugdringen van broeikasgassen. De auteurs zijn kennelijk voorstanders van een ongehinderde vrije markt, waarin het voorzorgprincipe niet geldt, ook al gaat het om de basis van ons bestaan.

Zelf geven de auteurs toe dat we nog niet genoeg weten over het klimaat. Waarom dan wel zo stellig ontkennen dat er iets aan de hand is? Doorgaan op de oude voet met broeikasgassen is een onverantwoord experiment met een systeem dat we niet voldoende kennen, terwijl de kans op desastreuze gevolgen zeer groot is.

Een zeer terechte opmerking over de dubbele moraal t.a.v. onzekerheid in dit stuk (en in veel andere sceptische redeneringen): Onzekerheid wordt uitvergroot als het om de mainstream inzichten gaat, en onzekerheid lijkt ineens niet meer te bestaan als het om het bagatelliseren van die mainstream gaat. Dat is niet consistent.

Happy Valentine’s day, as uncertain as love may be

Herhalen van klimaatsceptische argumenten maakt ze nog niet waar

De discussie naar aanleiding van de column van Thierry Baudet in NRC duurt nog voort. Op 4 februari stond er een drietal reacties in het NRC waarin Baudet werd ondersteund (pdf hier ), door Salomon Kroonenberg, Marco Visscher, en Harry Priem.

Onderstaande brief van een viertal Nederlandse klimaatwetenschappers is een reactie daarop (pdf):

Herhalen van klimaatsceptische argumenten maakt ze nog niet waar

Nadat Thierry Baudet, Jan Terlouw, Wouter van Dieren en diverse briefschrijvers hun mening gegeven hebben, willen wij toch graag vanuit de klimaatwetenschap iets zeggen over sceptische argumenten in de discussie over klimaatverandering.

Salomon Kroonenberg, Marco Visscher en Harry Priem ondersteunen in het NRC van 4 februari de klimaatsceptische geluiden van Thierry Baudet in zijn eerdere column.

Salomon Kroonenberg weet vier achterhaalde uitspraken over klimaatverandering in een enkele zin te formuleren. Het lijkt alsof hij niet wil accepteren dat de huidige wetenschappelijke inzichten anders liggen. Gletsjers wereldwijd nemen sterk in omvang af, Groenland en Antarctica verliezen nu gezamenlijk circa 360 kubieke kilometer ijs per jaar, de temperatuur is nu gemiddeld gezien waarschijnlijk hoger dan in de middeleeuwen en de Romeinse tijd, en de zeespiegel stijgt sinds 1990 aantoonbaar sneller dan tussen 1900 tot 1980 het geval was.

Marco Visscher meent dat Baudet tegengas geeft in een “hysterisch debat over klimaatverandering”. Nee, Baudet somt gewoon een aantal onjuistheden op die klimaatsceptici vaak herhalen, ook al heeft de wetenschap al lang hun tegendeel aangetoond. Alarmisme of hysterie zijn hier niet aan de orde, de vraag is alleen of hetgeen de drie briefschrijvers en eerder Baudet beweren juist is of niet. Het spijt ons: oude, achterhaalde sceptische uitspraken opnieuw opschrijven maakt ze niet alsnog waar. 

Ook de kritiekpunten van Harry Priem zijn niet gebaseerd op moderne wetenschappelijke inzichten. IJskernen verzameld op Groenland en Antarctica geven een nauwgezette reconstructie van het verloop van temperatuur, kooldioxide en methaan over de laatste 800 duizend jaar, en laten verbanden zien die Priem negeert. Recent onderzoek laat zien dat veranderingen in de straling van de zon geen afdoende verklaring geven voor de temperatuurveranderingen in de afgelopen 100 jaar.

Tenslotte verliezen de brievenschrijvers uit het oog dat onder de natuurlijke variaties in de globaal gemiddelde temperatuur, (die door vele factoren wordt beïnvloed) een lange termijn trend zichtbaar is. Deze trend is stijgende, en wordt momenteel hoofdzakelijk door broeikasgassen beïnvloed.  Natuurlijke factoren zoals de invloed van de zon zullen altijd een rol spelen bij klimaat veranderingen, maar die worden thans overschaduwd door de menselijke uitstoot van broeikasgassen. Dit wordt onderschreven door de belangrijkste wetenschapsacademies en de beroepsverenigingen van wetenschapsgebieden die voor klimaatonderzoek relevant zijn, waaronder die van geofysici en geologen.

Ernst Schrama, Technische Universiteit Delft

Roderik van de Wal, Universiteit Utrecht

Jan Wuite, Universiteit Luxemburg

Rik Leemans, Wageningen Universiteit

Kritische opmerkingen van bijvoorbeeld Jos de Laat en Marcel Crok op een vorige (niet geplaatste) brief zijn hierin impliciet meegenomen: Het onderscheid tussen korte termijn variatie (waarvan de trend inderdaad kleiner is) en lange termijn onderliggende trend (die ‘gewoon’ doorgaat) is nu duidelijker gemaakt. Marcel gaf terecht aan dat het woord “onbetwist” over een vergelijking tussen huidige en middeleeuwse temperatuur te sterk was. Het is niet onbetwist warmer nu; dat is slechts (hoogst-)waarschijnlijk het geval.

Op andere punten snijdt de kritiek van Marcel beduidend minder hout: De lange termijn opwarmende trend is ongeveer 0.17 graad per decennium. Over korte tijdschalen (minder dan ~15 jaar) kunnen natuurlijke variaties van bijvoorbeeld El Niňo, La Niňa en de zonnecyclus domineren over deze lange termijn opwarmende trend. Zo heeft ‘Wipneus’ op basis van regressie analyse het temperatuurseffect berekend van verschillende factoren voor het tijdvak 2002 t/m 2011, op basis van de RSS satellietreconstructie:

Zon: -0.12 °C

Vulkanische aerosolen: 0.014 °C

Multivariate El Nino Index: -0.22 °C

Oftewel, zonder menselijke opwarming zou het waarschijnlijk (sterk) zijn afgekoeld in de afgelopen 10 jaar. Maar hoewel dergelijke natuurlijke variaties over korte tijdschalen domineren, vertonen ze geen lange termijn trend.

Marcel stelt de (op zich valide) vraag: “Zou een deel van de opwarming sinds 1970 niet ook het gevolg kunnen zijn van natuurlijke schommelingen en zo ja welk deel?” Maar zijn impliciete antwoord (“ja” en “een groot deel”) volgt niet uit bovenstaande overwegingen. Sterker nog: De afwezigheid van een trend in natuurlijke factoren geeft aan dat ze niet verantwoordelijk kunnen zijn voor de opwarming sinds 1970. En het klimaat warmt ook niet zomaar vanzelf op, zonder oorzaak. Dat zou ingaan tegen de wet van behoud van energie: Een vanzelf opwarmende aarde zou meer energie uitstralen dan binnenkrijgen. De negatieve energie balans zou dan voor afkoeling zorgen. Er is echter een positieve energie balans.

Daar komt nog bij dat de dominante rol van broeikasgassen in de opwarming blijkt uit een aantal specifieke observaties:

–         Het versterkte broeikaseffect (het door de aarde vasthouden van meer infrarode straling) is gemeten vanaf de grond en vanaf satellieten

–         Stratosfeer is afgekoeld, terwijl troposfeer is opgewarmd

–         Nachten zijn meer opgewarmd dan dagen

Dit zijn specifieke “vingerafdrukken” van een versterkt broeikaseffect. Als de zon verantwoordelijk zou zijn voor de opwarming, zouden de laatste twee observaties precies andersom moeten zijn geweest.

Waarom was april zo warm?

Via Klimaatportaal en KNMI:

De afgelopen maand was uitzonderlijk zacht. De gemiddelde temperatuur over de hele maand april was in De Bilt 13,1 graden. Daarmee evenaart april 2011 het warmterecord 2007 en bereikt de hoogste waarde sinds het begin van de metingen in 1706. Gemiddeld over 1981-2010 bedraagt de temperatuur in april 9,2 graden.

Waarom was April zo warm?

De wereldwijde opwarming , schonere lucht, minder bewolking en meer waterdamp in de lucht vergeleken met even zonnige maanden hebben bijgedragen aan de hoge temperaturen.

Oorzaken van deze warme april:

Luchtdruk en zonneschijn
De hoge luchtdruk in Nederland en omgeving leidde tot overvloedige zonneschijn en is daarmee één van de hoofdoorzaken van de hoge temperatuur in april 2011. Toch is dit niet de enige factor want in april 1938, 1954, 1955, 2007, 1997, 1957, 1984 was de luchtdruk hoger dan in april 2011. In april 2007, 1942 en zelfs in 2010 scheen de zon meer uren dan in april 2011.

Luchtvervuiling
Sinds midden jaren 80 is de zichtbare luchtvervuiling met roetdeeltjes en zwavel (aërosolen / fijn stof) sterk afgenomen, waardoor meer zonneschijn de grond bereikt. Er is echter geen reden om aan te nemen dat de lucht in april veel schoner is dan in de jaren 60, en toch zijn de temperaturen veel hoger dan toen.

Luchtvochtigheid
Hoewel er in april 2011 weinig bewolking was, was de hoeveelheid waterdamp (een doorzichtig gas) wel hoog vergeleken met andere jaren met hoge luchtdruk en veel zon. In 1942 en 2010 was de lucht veel droger. Waterdamp is een zeer krachtig broeikasgas, dat de aarde warm houdt door uitstraling naar de ruimte tegen te houden. De waarneming dat dit jaar de nachten warmer waren dan in 2007 ondersteunt dit vermoeden.

Broeikaseffect (KNMI)

Uiteraard heeft de opwarming van de aarde en dus ook van Nederland ook bijgedragen. Zonder deze opwarming zouden dit soort temperaturen vrijwel onmogelijk zijn geweest. Echter, de temperaturen van de laatste jaren steken ver boven de trend uit.

En:

Klimaatmodellen voorspelden een veel langzamere opwarming en laten geen verhoogde kans op warme uitschieters zien.

Figuur: Geobserveerde Centraal Nederland Temperatuur (CNT, rode lijn) vergeleken met de gemodelleerde temperatuur in het CMIP3 ensemble (54 kruisjes per jaar van 23 modellen). De blauwe lijn geeft het gemiddelde van de 23 modellen aan.

Het is duidelijk dat de temperatuur in april veel sneller oploopt dan de modellen aangeven. Voor een gedeelte is dit uiteraard toeval, maar het verschil is te groot om hier volledig mee te verklaren. Ook de uitwijkingen boven de trend lijken groter dan we verwachten, een uitwijking zoals in 2007, 2009 of 2011 zou zelfs met een twee keer zo snelle temperatuurstijging maar ongeveer eens in de 50 jaar voorkomen. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen in hoeverre we nog meer van dit soort zomerse aprilmaanden kunnen verwachten.

Conclusies
In 2007 dachten we dat de temperatuur van april een zeer uitzonderlijke uitschieter was. De waarneming dat het in 2009 bijna even warm was en in 2011 dit record geëvenaard wordt geeft aan dat deze verklaring niet meer voldoet. De wereldwijde opwarming , schonere lucht, minder bewolking en meer waterdamp in de lucht vergeleken met even zonnige maanden hebben bijgedragen aan de hoge temperaturen. Welke factoren er precies achter zaten en een inschatting van wat de toekomst zou kunnen brengen vergt echter een uitgebreidere analyse.