Categorie archief: Klimaatwetenschap

There’s always the sun!

Gast-blog van Jos Hagelaars

Al voordat het IPCC werd opgericht in 1988 kwam de punkband The Stranglers in 1986 met de interessante klimatologische stelling: There’s always the sun.
Nu, dat kan ik beamen, regelmatig wordt men geconfronteerd met de invloed van de zon als nagenoeg alles verklarende factor voor de stijging van de mondiale temperatuur de laatste halve eeuw. Vorige week was het weer zover toen ik de koptekst van een interview met Dr. Bas van Geel in Trouw op 7 mei las:

Invloed van zon veel groter dan klimaatpanel ons wil doen geloven.

De aanleiding voor het interview was het verschijnen van een artikel in Nature Geoscience, waarvan Dr. Bas van Geel een van de medeauteurs is. Volgens het interview is een van de bevindingen van het onderzoek dat de zon een veel grotere invloed op het klimaat heeft dan het klimaatpanel van de Verenigde Naties ons wil doen geloven. Een tendentieuze zin, in het interview wordt verder de hockeystick er weer bij gesleept en wil men de lezer doen geloven dat de invloed van CO2 op het klimaat schromelijk overschat wordt.

Het originele artikel heeft als titel:

Regional atmospheric circulation shifts induced by a grand solar minimum.

Het oog valt natuurlijk direct op het woord “Regional“.
Lees verder

Berichtgeving over gletsjerstudie Nature geeft gevarieerd beeld

Gast-blog van Jan Wuite, Ernst Schrama en Jan Paul van Soest:

Media op glad ijs

“Gletsjers en polen smelten minder dan gedacht” kopt een artikeltje op de populaire site nu.nl. Diverse andere media geven vergelijkbare berichten over een onderzoek dat begin februari in Nature verscheen. Verwarring troef. De boodschap in enkele media lijkt te zijn: hoera, het valt allemaal reuze mee, die wetenschappers destijds overdreven. Hiermee verdwijnen echter de belangrijkste conclusies van het onderzoek achter de horizon.

Hoe moet het onderzoek dan wel worden begrepen? En hoe verhoudt het zich tot eerdere studies? Trouw, De Volkskrant en NRC (Klimaatblog) lieten overigens zien dat het mogelijk is ook adequaat over een complexe studie te berichten.

Een icecap is geen ijskap

De terminologie steekt nauw. In veel media worden gletsjers, ijskappen en polen op één hoop gegooid, het onderscheid is onduidelijk. Het artikel richt zich met name op wat in vakjargon ‘glaciers and ice caps’ (GICs) wordt genoemd. Hiermee wordt bedoeld alle ijsmassa’s op land buiten Groenland en Antarctica. De term ‘icecap’ is niet te vertalen met het Nederlandse ‘ijskap’ – waarmee doorgaans het ijs op Groenland en Antarctica wordt aangeduid, en al helemaal niet met ‘polen’ (Noord- en Zuidpool). Met ‘icecap’ wordt bedoeld: een massa ijs die het land geheel bedekt, maar met een totale omvang kleiner dan 50.000 km2.Voorbeelden hiervan vinden we in IJsland en Patagonië. Voor het ijs op Groenland en Antarctica wordt de term ‘ice sheet’ gebruikt.  De verwarring kan nog groter worden als in de reacties, zoals de blogosfeer, ook nog eens zee-ijs over dezelfde kam wordt geschoren.

Amazing Grace

Er zijn diverse manieren ontwikkeld om de massabalans – verlies of aangroeien van ijs – van gletsjers te meten. Ze hebben zo allemaal hun voor- en nadelen. Een relatief nieuwe onafhankelijke manier is om te kijken naar veranderingen in het zwaartekrachtveld van de aarde. Dit kan met behulp van de GRACE-satellieten die zeer nauwkeurig veranderingen in zwaartekracht en dus massa kunnen meten.

GRACE-metingen hebben het voordeel dat ze maandelijkse veranderingen in massa kunnen registreren, in tegenstellig tot bijvoorbeeld altimetrische methodes, die alleen veranderingen van het volume kunnen registreren. Die kunnen dan ook niet vaststellen of de totale ijsmassa daadwerkelijk afneemt; de sneeuwlaag zou immers ook compacter kunnen zijn geworden waardoor wel de dikte, maar niet de massa afneemt. Er zijn ook nadelen. Zo zijn de GRACE-satellieten nog niet zo lang actief, sinds 2002, en de periode waarin veranderingen kunnen worden gemeten is bijgevolg ook nog niet zo lang. Ook is de ruimtelijke resolutie van GRACE aan de hoge kant –meer dan 300 km. GRACE-metingen worden daarnaast ook nog eens ‘vervuild’ door andersoortige massaveranderingen; denk aan veranderingen in de oceanen, de atmosfeer, water op land en glacio-isostatic adjustment, het ‘opveren’ van de onderliggende landmassa als de zwaartekrachtdruk van ijs door smelt afneemt. Al deze invloeden moeten worden gemodelleerd om tot een juist beeld te komen van het totale ijsverlies.

GRACE-metingen worden al enkele jaren gebruikt om ijsverlies op Antarctica en Groenland in kaart te brengen. Het recente Nature-artikel is een poging om consistent massaveranderingen van glaciers and ice caps (GIC’s) op aarde in kaart te brengen. Alle gebieden zijn apart in detail geanalyseerd. En passant wordt daarbij ook nog even Groenland en Antartica in ogenschouw genomen.

Monnikenwerk

Voordat met GRACE kon worden gemeten moesten schattingen van het massaverlies worden gemaakt op grond van onder meer directe waarnemingen, (oude) fotobeelden, toetsing daarvan aan modellen, en de extrapolatie van een beperkt aantal schattingen naar een schatting voor ijsverlies bij GIC’s over de hele aarde. Monnikenwerk. Recent promoveerde zo’n “monnik”, Paul Leclercq, aan de Universiteit van Utrecht op zo’n exercitie.

Er zijn circa 160.000 gletsjers en ijskappen op aarde; slechts voor een beperkt aantal hiervan is dit soort monnikenwerk verricht. Op basis daarvan vond dan de extrapolatie naar wereldwijd ijsverlies plaats. Omdat de metingen relatief vaak aan lager gelegen gletsjers zijn verricht zijn eerdere inschattingen van het massaverlies wellicht hoger uitgevallen. Dit lijkt met name het geval te zijn geweest in de Himalaya (maar ook daar neemt het ijs af). De onderzoekers stellen:

The GIC rate for 2003–2010 is about 30 per cent smaller than the previous mass balance estimate that most closely matches our study period. 

Maar wat ook duidelijk uit de studie naar voren komt is dat – hoewel soms individuele gletsjers groeien – in geen van de vergletsjerde gebieden op aarde thans significante ijsgroei plaatsvindt. In veel gebieden neemt het ijs zeer sterk af, met name in Alaska, Arctisch Canada en Patagonië. 

Veranderingen in ijsdikte (cm water equivalent/jaar) gedurende 2003-2010 zoals gemeten m.b.v. GRACE (exclusief Groenland en Antarctica).

In diverse publicaties over de Nature-studie wordt ook gesuggereerd dat Groenland en Antarctica minder snel smelten dan verwacht. Dat is onjuist – de studie bevestigt namelijk eerdere metingen die aan die grote ijskappen zijn gedaan. Deze nemen niet alleen enorm af, maar de afname versnelt bovendien.

De studie bevestigt eerdere studies wat betreft de mate van zeespiegelstijging door smeltend ijs, en laat zien dat dit ongeveer de helft van de totale zeespiegelstijging is. De andere helft wordt veroorzaakt door uitzetting van opwarmend water. De onderzoekers schrijven:

The total contribution to sea level rise from all ice-covered regions is thus 1.48 ± 0.26 mm/yr, which agrees well with independent estimates of sea level rise originating from land ice loss and other terrestrial sources.

Nuances

Toekomstig onderzoek zal ongetwijfeld weer tot nieuwe inzichten leiden en mogelijk wat andere waarden opleveren voor de massabalansen. Zo werkt wetenschap nu eenmaal: de huidige beste kennis kan later weer vervangen worden door nog weer betere kennis. Immers, óók bij de geavanceerde satellietmetingen met GRACE zijn er onzekerheidsmarges van circa 10% in de zo bepaalde massabalansen. Om die te kunnen maken waren – op andere studies gebaseerde – veronderstellingen nodig om te corrigeren voor het eerdergenoemde effect van ‘terugveren’ van de aarde bij verlies aan ijsmassa. Voor Groenland is dit zogeheten postglaciale opheffingseffect waarschijnlijk beter bekend dan voor Antarctica.

Voor wat betreft de smeltende gletsjers zit een deel van de onzekerheid in de aard van de metingen met GRACE. Een ander deel van de onzekerheid wordt veroorzaakt door de modellen die worden gebruikt om op basis van de GRACE-meetgegevens ijsmassabalansen te maken.

Als we al deze nuances in beschouwing nemen, dan was wellicht een betere kop voor de media geweest: ‘Studie Universiteit van Colorado, Boulder laat zien dat gletsjers en ijskappen wereldwijd jaarlijks miljarden ton aan ijs verliezen’. Maar ja, dat komt natuurlijk minder sensationeel over dan ‘gletsjers en polen smelten minder dan gedacht’.

Jan Wuite, glacioloog-geoloog Universiteit van Luxemburg
Ernst Schrama, Technische Universiteit Delft, expert satellietmetingen
Jan Paul van Soest, partner De Gemeynt – adviseurs en entrepreneurs in duurzaamheid

Voor de liefhebbers: hier is het oorspronkelijke Nature artikel, en een “news & views” daarover (beiden achter een paywall). 

Nadere tekst en uitleg over het onderzoek:
University of Colorado
PhysOrg (eveneens herkomst van de figuur, Credit: NASA/JPL-Caltech/University of Colorado)
Video blog over de Nature studie

Nadere achtergrond en andere studies:
Klimaatportaal FAQ “smelten de ijskappen?”

Globaal gemiddelde temperatuur: korte termijn variatie vs lange termijn trend

Van maand tot maand, en zelfs van jaar tot jaar, vertoont de globaal gemiddelde temperatuur veel variatie. Dat zorgt ervoor dat over tijdsschalen korter dan ruwweg 10-15 jaar de onderliggende trend niet goed zichtbaar is.

Voor klimaatverandering (lange termijn verandering in de gemiddelde weerssituatie) is het van belang om onderscheid te maken tussen de korte termijn variatie en de lange termijn trend.

(doubleclick to see animation; via SkS)

Ook in aanwezigheid van een lange termijn trend zijn er perioden van stagnerende temperatuur. Dat wordt ook door klimaatmodellen voorspeld, alleen kan de precieze timing ervan niet worden voorspeld (omdat de ENSO cyclus en vulkanen niet voorspelbaar zijn op tijdsschalen van meerdere jaren).

Een groot deel van de variatie op een tijdsschaal van enkele jaren valt terug te voeren op de effecten van natuurlijke processen zoals de El Nino/La Nina cyclus, grote vulkaanuitbarstingen, en de zonnecyclus. Deze invloeden kunnen op basis van fysische principes gekwantificeerd worden (zoals in grootschalige klimaatmodellen wordt gedaan). Het is ook mogelijk om op basis van een regressie analyse van de mondiale temperatuur de meest waarschijnlijke invloed ervan te bepalen. Als dan voor de invloed van deze processen gecorrigeerd wordt, komt de opwarmende trend duidelijker uit de ruis te voorschijn.

Dit is in een notedop wat Foster en Rahmstorf hebben gedaan in hun recente artikel. Daarin laten ze de data als het ware voor zichzelf spreken, zonder enige aanname over werkingsmechanisme of de mate van invloed van de verschillende factoren. Het komt erop neer dat ze hebben gekeken met welke combinatie van bovengenoemde natuurlijke factoren en een lineaire trend (als proxy voor het menselijke global warming signaal) de gemeten opwarming het beste gesimuleerd kan worden. Daarbij is ook rekening gehouden met een eventuele vertraagde respons (door dat ook in de regressie op te nemen).

De maandelijkse waarden van de ‘gecorrigeerde’ globaal gemiddelde temperatuur vertonen nog steeds flinke pieken en dalen, maar alleen over korte tijdsschalen vanminder dan een jaar. Deze variaties zijn onderdeel van het chaotische element in ‘het weer’. Door de jaarlijkse waarden van de gemeten en de voor natuurlijke factoren gecorrigeerde opwarming met elkaar te vergelijken wordt duidelijk dat over meerdere jaren bekeken de opwarming gestaag aan het doorgaan is:

(In de bovenste van deze twee figuren zijn de verschillende datasets verticaal verschoven voor de duidelijkheid)

Een zelfde soort analyse is enkele jaren geleden ook door Lean en Rind gedaan. Zij gebruikten een langere tijdsperiode (1889 – 2006), waardoor de menselijke invloed ook niet meer met een lineaire trend gesimuleerd kon worden. In plaats daarvan gebruikten zij een combinatie van broeikaswarming en aerosolkoeling. Qua fysische onderbouwing sterker, maar het vereist wel extra aannames over de relatieve sterkte van de broeikas en aerosolforcering (en de laatste is heel onzeker). Beide keuzes zijn verdedigbaar, en beiden hebben hun specifieke voor- en nadelen.

Een korte versie van deze analyse heb ik op 12 december op het klimaatsymposium gepresenteeerd. Zie mijn slides hier. Commentaar van Tamino op zijn eigen artikel. Een flinke discussie over dit artikel werd ook al gevoerd op een vorige blogspost.

Update (15 oktober): In een latere blog ga ik verder in op het verschil tussen korte termijn variaties en een lange termijn trend: De onderliggende opwarmende trend gaat gewoon door, terwijl door natuurlijke variaties en andere factoren die trend tijdelijk gemaskeerd kan worden.

Nieuwe studie klimaatgevoeligheid op basis van laatste IJstijd

Via het Klimaatportaal, aangevuld met extra info:

Amerikaanse onderzoekers hebben afgelopen week in Science een studie gepubliceerd waaruit blijkt dat de mondiale temperatuur misschien iets minder gevoelig is voor een toename van CO2 dan tot nu toe wordt aangenomen. Zij schatten dat de temperatuur ongeveer 2,2 graden Celsius zal stijgen als de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer twee keer zo hoog wordt als voor de industriële revolutie. Door het IPCC wordt 3 °C als meest waarschijnlijk gezien. Het IPCC baseert zijn rapporten niet op één, maar op meerdere onderzoeken. Deze studie zal alle eerdere onderzoeksresultaten dan ook niet automatisch verwerpen, maar moet als een extra puzzelstukje worden gezien die aan het totale begrip bijdraagt. 

Lees verder

VVD kamerlid Leegte oneens met klimaatwetenschap dus wil KNMI afschaffen

VVD kamerlid Rene Leegte riep in de Telegraaf op om het KNMI op te heffen:

Leegte noemt het IPCC „klimaatalarmisten” en vindt het niet goed dat het KNMI zo achter hun conclusies van de uitstoot van CO2 en de stijging van de temperatuur aanloopt. Andere onderzoeken laten een afvlakking van de temperatuur zien, stelt Leegte. De overheid moet volgens hem vragen over het klimaat onafhankelijk in de markt kunnen zetten.

Krijg nou wat!

Omdat de conclusies van hoogstaand wetenschappelijk onderzoek hem niet aanstaan wil hij ervan af, en onderzoeksvragen zodanig “in de markt zetten” dat er een voor hem welgevallig antwoord uit rolt. En dat dan in naam van onafhankelijkheid! Het cynisme druipt ervan af, maar dat ontgaat Leegte wellicht.

Als Leegte de moeite zou hebben genomen om eens te kijken wat er zoal “in de markt” te koop is aan klimaatonderzoek zou hij snel genoeg hebben ontdekt dat er brede consensus bestaat binnen de wetenschap (de aarde warmt op en dat komt voor een groot deel door menselijke uitstoot van broeikasgassen en ontbossing). Misschien zou hij dan alle serieuze onderzoeksinstellingen willen afschaffen? Of wellicht wil hij buiten de wetenschap te rade gaan?

Wetenschap moet juist onafhankelijk zijn van de politieke wind in Den Haag, Washington, La Paz of Riyad. Een volksvertegenwoordiger die probeert de wetenschap de les te lezen over diezelfde wetenschap is toch echt de omgekeerde wereld. Het toppunt is dan wel dat zo’n volksvertegenwoordiger die wetenschap, waarvan de conclusies hem niet aanstaan, wil opheffen. Zo’n volksvertegenwoordiger is Leegte.

Ik trek het bewust breder dan ‘alleen maar’ KNMI, omdat zo goed als alle klimaatwetenschappelijke onderzoeksinstituten min of meer dezelfde conclusies hebben getrokken over klimaatverandering. Dat is ook nogal logisch, want de berg aan bewijsvoering laat maar weinig ruimte over voor andere opvattingen. Wetenschap is geen democratie.

Echter, er zijn aardig wat ‘creatievelingen’ die proberen die berg te omzeilen en op een andere manier boven te komen. Wetenschappelijk en logisch sluitend zijn hun verhalen zo goed als nooit.

Zo ook Leegte, die blijkbaar niet verlegen is om zijn gebrek aan kennis van de klimaatwetenschap tentoon te spreiden: Er is geen wetenschapper (van KNMI of elders) die beweert dat er maar 1 variabele is die het klimaatsysteem beïnvloedt. De opwarming gaat ook gestaag verder, zoals duidelijk is uit een scala aan metingen variërend van toenemende temperaturen, afnemend Arctisch zee ijs, smeltende ijsmassa op Groenland en Antarctica, toenemende warmte inhoud van de oceanen, veranderingen in ecosystemen (bijv. migratie, tijd van bloeien, groeiseizoen), etc. Maar dan wel gezien over langere tijdsschalen natuurlijk. We hebben het ten slotte over klimaat.

Dat doet me herinneren aan een partijgenote van Leegte die ook de fenomenen “weer” en “klimaat” door elkaar haalde toen ze zei (in een ander tijdperk):

De VVD wil onafhankelijk onderzoek naar de opwarming van de aarde, nu ons land al weken in de ban is van de vrieskou. “We moeten weten hoe het echt zit, zeker met dit weer”, aldus VVD-Kamerlid Neppérus.

Ik ben benieuwd hoe ze het weer van de afgelopen paar dagen dan karakteriseert. De opwarming zal volgens haar nu wel de pan uitrijzen!

Ik wou dat ik er om kon lachen.

Zie ook Paul Luttikhuis op het NRC klimaatblog:

Kennelijk vindt René Leegte wetenschappers die er – bijvoorbeeld op grond van onderzoek – van uitgaan dat de uitstoot van CO2 een belangrijke bijdrage levert aan de opwarming van de aarde niet onafhankelijk en dus niet integer. Als Leegte iets anders bedoelt, vindt PvdA-Kamerlid Diederik Samson, moet hij zijn beschuldiging onderbouwen.

Waarom was april zo warm?

Via Klimaatportaal en KNMI:

De afgelopen maand was uitzonderlijk zacht. De gemiddelde temperatuur over de hele maand april was in De Bilt 13,1 graden. Daarmee evenaart april 2011 het warmterecord 2007 en bereikt de hoogste waarde sinds het begin van de metingen in 1706. Gemiddeld over 1981-2010 bedraagt de temperatuur in april 9,2 graden.

Waarom was April zo warm?

De wereldwijde opwarming , schonere lucht, minder bewolking en meer waterdamp in de lucht vergeleken met even zonnige maanden hebben bijgedragen aan de hoge temperaturen.

Oorzaken van deze warme april:

Luchtdruk en zonneschijn
De hoge luchtdruk in Nederland en omgeving leidde tot overvloedige zonneschijn en is daarmee één van de hoofdoorzaken van de hoge temperatuur in april 2011. Toch is dit niet de enige factor want in april 1938, 1954, 1955, 2007, 1997, 1957, 1984 was de luchtdruk hoger dan in april 2011. In april 2007, 1942 en zelfs in 2010 scheen de zon meer uren dan in april 2011.

Luchtvervuiling
Sinds midden jaren 80 is de zichtbare luchtvervuiling met roetdeeltjes en zwavel (aërosolen / fijn stof) sterk afgenomen, waardoor meer zonneschijn de grond bereikt. Er is echter geen reden om aan te nemen dat de lucht in april veel schoner is dan in de jaren 60, en toch zijn de temperaturen veel hoger dan toen.

Luchtvochtigheid
Hoewel er in april 2011 weinig bewolking was, was de hoeveelheid waterdamp (een doorzichtig gas) wel hoog vergeleken met andere jaren met hoge luchtdruk en veel zon. In 1942 en 2010 was de lucht veel droger. Waterdamp is een zeer krachtig broeikasgas, dat de aarde warm houdt door uitstraling naar de ruimte tegen te houden. De waarneming dat dit jaar de nachten warmer waren dan in 2007 ondersteunt dit vermoeden.

Broeikaseffect (KNMI)

Uiteraard heeft de opwarming van de aarde en dus ook van Nederland ook bijgedragen. Zonder deze opwarming zouden dit soort temperaturen vrijwel onmogelijk zijn geweest. Echter, de temperaturen van de laatste jaren steken ver boven de trend uit.

En:

Klimaatmodellen voorspelden een veel langzamere opwarming en laten geen verhoogde kans op warme uitschieters zien.

Figuur: Geobserveerde Centraal Nederland Temperatuur (CNT, rode lijn) vergeleken met de gemodelleerde temperatuur in het CMIP3 ensemble (54 kruisjes per jaar van 23 modellen). De blauwe lijn geeft het gemiddelde van de 23 modellen aan.

Het is duidelijk dat de temperatuur in april veel sneller oploopt dan de modellen aangeven. Voor een gedeelte is dit uiteraard toeval, maar het verschil is te groot om hier volledig mee te verklaren. Ook de uitwijkingen boven de trend lijken groter dan we verwachten, een uitwijking zoals in 2007, 2009 of 2011 zou zelfs met een twee keer zo snelle temperatuurstijging maar ongeveer eens in de 50 jaar voorkomen. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen in hoeverre we nog meer van dit soort zomerse aprilmaanden kunnen verwachten.

Conclusies
In 2007 dachten we dat de temperatuur van april een zeer uitzonderlijke uitschieter was. De waarneming dat het in 2009 bijna even warm was en in 2011 dit record geëvenaard wordt geeft aan dat deze verklaring niet meer voldoet. De wereldwijde opwarming , schonere lucht, minder bewolking en meer waterdamp in de lucht vergeleken met even zonnige maanden hebben bijgedragen aan de hoge temperaturen. Welke factoren er precies achter zaten en een inschatting van wat de toekomst zou kunnen brengen vergt echter een uitgebreidere analyse.

Staatssecretaris Atsma ontvangt ‘Staat van het Klimaat 2010’

Turbulent jaar voor klimaat en wetenschap

Staatssecretaris Atsma van Milieu ontving vandaag het eerste exemplaar van de ‘Staat van het Klimaat 2010’. De publicatie geeft een overzicht van relevante ontwikkelingen op het gebied van klimaat en energie in het afgelopen jaar. Het is een uitgave van de onderzoeksinstellingen die samenwerken binnen het PCCC*.

Het jaar 2010 was turbulent voor de zowel de klimaatwetenschap als het klimaat zelf.

Koud hier, warm elders

We hadden te maken met een bijzondere paradox. Nederland beleefde het koudste jaar sinds 1996. De maand december was zelfs de koudste decembermaand sinds 40 jaar. Sommigen zien dit als een aanleiding om de opwarming van de aarde in twijfel te trekken. Wereldwijd was het echter één van de warmste jaren sinds 1850. Vanwege de luchtstroming (“Arctische Oscillatie”) ging de relatieve koude in Europa gepaard met relatieve warmte in het Arctische gebied en Noord Canada.

Extreem weer

Het jaar 2010 kende een aantal extreme weersgebeurtenissen en de gevolgen daarvan. Zo liep 20 procent van Pakistan onder water; ongeveer 20 miljoen mensen werden getroffen. Ook China kampte met overstromingen en dodelijke modderstromen. Terwijl Rusland de heetste zomer sinds het begin van de metingen beleefde, had Midden-Europa te maken met zware regenval.

Deze rampen en extremen zijn niet eenduidig terug te voeren op klimaatverandering. Afwijkingen in temperatuur en neerslag horen bij de grillen van de natuur. Wel zijn de gebeurtenissen meteorologisch gezien zeldzaam. Naar verwachting neemt de kans op hittegolven en extreme neerslaghoeveelheden toe als gevolg van het versterkte broeikaseffect.

Polarisatie van het klimaatdebat

Daarnaast was er ophef door de inhoud van openbaar gemaakte e-mails van de Climate Research Unit in Engeland. Ook werden enkele fouten in het laatste IPCC rapport aan het licht. Deze gebeurtenissen leidden tot twijfel over de juistheid van inhoud van IPCC rapportages, maar ook over de integriteit van klimaatonderzoekers zelf. Het werd duidelijk dat het klimaatdebat en de klimaatwetenschap in een nieuw tijdperk opereren, met een hoge mate van politisering en dynamische interactie tussen wetenschap en publiek debat. In de Staat van het Klimaat 2010 wordt een aantal veel gehoorde kritische argumenten in een wetenschappelijke context geplaatst. ECN (dat ben ik) heeft aan dit hoofdstuk (2) bijgedragen. De werking van en kritiek op het IPCC komt ook ter sprake (hoofdstuk 6).

Klimaatbeleid

Intussen gaan de pogingen om klimaatverandering te beteugelen via Internationale onderhandelingen ook door. De klimaattop in Cancún eind vorig jaar heeft niet geleid tot een bindend verdrag of beslissingen die klimaatverandering ingrijpend aanpakken. Wel zijn de emissiereducties, waar in Kopenhagen kennis van was genomen, in Cancun voor het eerst onder de VN-vlag verankerd. In combinatie met de transparante manier van onderhandelen heeft dit het vertrouwen in het multilaterale onderhandelingsproces versterkt. Er blijft een “gigaton kloof” bestaan tussen de collectieve beloftes en de benodigde emissiereductie om beneden de twee graden opwarming te blijven.

Dit en andere zaken op het gebied van energie- en mitigatiebeleid zijn een bijdrage van ECN (door mij geschreven) en komen ter sprake in hoofdstuk 4. Naast Cancún wordt het regeerakkoord van het nieuwe kabinet er besproken, een vooruitblik naar de geraamde emissies t/m 2020 en een aantal toekomstvisies voor een duurzame energievoorziening.

De Staat van het Klimaat is gratis te downloaden.

* Het Platform Communication on Climate Change (PCCC) is een samenwerkingsverband van de grote klimaatkennisinstellingen in Nederland  (PBL, KNMI, Wageningen UR, ECN, Vrije Universiteit, Universiteit Utrecht, Deltares, TNO en NWO)