Categorie archief: Klimaatwetenschap

De sceptische top 10 of: waarom klimaatsceptici ongeloofwaardig zijn (3)

Gastblogger Hans Custers behandelt “De 10 redenen waarom er geen klimaatcatastrofe komt” van Climategate.nl

“3. Het enige “fundamentele bewijs” dat klimaatmodellen leveren is dat hun instituten meer geld nodig hebben”

De obligate kritiek van klimaatsceptici op modellen is overbekend. Die kritiek is zonder uitzondering vaag en oppervlakkig. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit één klimaatsceptisch verhaal heb gezien dat ook maar één concrete fout of onnauwkeurigheid in de modellen wist aan te wijzen. Laat staan dat men constructief is en met voorstellen voor verbeteringen komt. Je zou bijna gaan denken dat die sceptici helemaal niet weten hoe die modellen precies in elkaar zitten, of hoe ze precies worden gebruikt.

Vaak komt het er op neer dat ze vinden dat het gebruik van modellen in het algemeen en computermodellen in het bijzonder geen “echte wetenschap” zou zijn. Laten we eens bij de bron van alle wijsheid, Wikipedia, kijken wat een wetenschappelijk model precies is: “In een wetenschappelijke of technische context is een model een vereenvoudigde voorstelling, beschrijving of nabootsing van (een deel van) de werkelijkheid.” Een formule – volgens nogal wat mensen het summum van wetenschap – is volgens deze definitie een model. En als we die formule in een spreadsheet zetten hebben we een computermodel! Dat er iets principieel mis zou zijn met het gebruik van modellen is dus niet zo’n sterk argument.

Er is nog een veel voorkomend misverstand: dat de modellen bedoeld zijn om het klimaat te voorspellen. Dat is niet het geval. De modellen laten zien wat de invloed van verschillende factoren is op het klimaat, en dus ook van veranderingen in deze factoren. Maar geen enkele klimatoloog zal beweren dat hij al die factoren jaren of zelfs decennia vooruit kan voorspellen. Sterker nog, prognoses van bijvoorbeeld de zonne-activiteit, vulkanische activiteit en zelfs broeikasgasemissies vallen helemaal niet onder het vakgebied van de klimaatwetenschap. Dat is het werk van astronomen en astrofysici, vulkanologen en geologen, economen en ingenieurs. Het IPCC heeft het om deze reden in zijn rapporten over projecties in plaats van voorspellingen. Die projecties geven de te verwachten invloed van een toename van broeikasgassen in de atmosfeer aan, volgens een aantal scenario’s. Niets meer, niets minder. Lees verder

De sceptische top 10 of: waarom klimaatsceptici ongeloofwaardig zijn (2)

Gastblogger Hans Custers behandelt “De 10 redenen waarom er geen klimaatcatastrofe komt” van Climategate.nl

“2. Behalve de periode 1975-1998 is er geen periode in de geschiedenis waarin CO2-concentratie en temperatuur ook maar enig verband vertonen”

Een denkfout die klimaatsceptici vaak lijken te maken is deze: als CO2 invloed heeft op de temperatuur, dan moet de temperatuur de CO2-concentratie precies volgen. Dat is natuurlijk niet waar, want er zijn ook andere factoren die invloed hebben. Alle metingen laten zien dat de aarde nu al zeker een eeuw steeds warmer wordt, terwijl ook de hoeveelheid broeikasgassen in die periode toeneemt. (Wat overigens weer niet betekent dat het toegenomen broeikaseffect de enige oorzaak is van die temperatuurstijging; correlatie zegt niets over oorzaak en gevolg.) De temperatuur zal een geleidelijke toename van broeikasgassen zelden of nooit in één soepele lijn volgen, omdat in korte periodes andere factoren een grotere invloed hebben. Precies zoals de wetenschap dat verwacht op basis van vrij eenvoudige statistische analyses. Sinds de jaren zeventig is elk decennium warmer dan het voorafgaande,en vooralsnog is er niets dat er op wijst dat dat zal veranderen in het decennium waarin we nu leven.

bjefgcaf

Gemiddelde temperatuur per decennium sinds 1900 voor 5 verschillende datasets

Lees verder

De sceptische top 10 of: waarom klimaatsceptici ongeloofwaardig zijn (proloog)

Gastblog door Hans Custers

Alweer een jaar of twee geleden deed ik, in een discussie met een van de bekende Nederlandse klimaatsceptici een voorstel: “Als jullie, de sceptici, nu eens met een lijstje komen van de belangrijkste argumenten waarom de klimaatwetenschap het mis heeft, dan kunnen we die argumenten daarna eens één voor één onder de loep nemen.” Eerlijk gezegd verwachtte ik destijds al geen groot enthousiasme bij de sceptici, en dat kwam er dan ook niet. Klimaatsceptici houden niet zo van het verdedigen van hun argumenten. Ze zijn er ook niet zo goed in. Ze kiezen liever voor de aanval, met een min of meer vast repertoire aan stellingen en beschuldigingen. De weerleggingen van al die argumenten zijn ook bekend (Skeptikal Science heeft ze verzameld, inclusief Nederlandse vertaling; het Nederlandse Klimaatportaal dekt de belangrijkste ook af), maar wanneer een klimaatscepticus daarmee geconfronteerd wordt, haalt hij gewoon weer wat nieuwe argumenten boven uit het standaardrepertoire. Ofwel: de klimaatscepticus is geneigd de inhoudelijke discussie over zijn argumenten te ontwijken, in plaats van die te voeren.

Onlangs hoorde ik dat Climategate.nl enkele weken geleden een top 10 van hun favoriete argumenten had gepubliceerd. Hieronder de lijst.

De 10 redenen waarom er geen klimaatcatastrofe komt

  1. Warme tijden zijn in het verleden altijd de betere geweest voor mens, dier en plant (Holocene Climate Optimum, Minoïsch Optimum, Romeins Optimum, Middeleeuws Optimum) en de koude fasen rampzalig (Kleine IJstijd 1350-1850)
  2. Behalve de periode 1975-1998 is er geen periode in de geschiedenis waarin CO2-concentratie en temperatuur ook maar enig verband vertonen
  3. Het enige “fundamentele bewijs” dat klimaatmodellen leveren is dat hun insituten meer geld nodig hebben
  4. Er is een stortvloed aan recent onderzoek dat wijst op een hele kleine rol van CO2 en een hele grote van zon en oceanen
  5. 3x meer CO2 in de lucht is optimaal voor vergroening en meer landbouwopbrengst en biodiversiteit
  6. Sinds de super El Ninjo van 1998 stijgt de wereldtemperatuur niet meer
  7. De zon was in de tweede helft van de 20e eeuw actiever dan in duizenden jaren daarvoor en het is logisch dat de temperatuurstijging daarna nog een tijdje doorgaat
  8. Sinds 2007 is de zon geleidelijk aan het inslapen en krijgen we vanaf 2013 volgens Prof. De Jager een Dalton minimum (koude fase uit kleine ijstijd) en volgens anderen zelfs een bitterkoude herhaling van het Maunder minimum
  9. Onderzoek van Bas van Geel levert keihard bewijs voor de extreme gevoeligheid van het klimaat voor veranderingen van de zon
  10. Wiens brood men eet diens woord men spreekt ofwel follow the money

Lees verder

Nieuw wetenschappelijk discussieplatform ClimateDialogue.org

Een uniek discussieplatform over klimaatverandering is net van start gegaan: ClimateDialogue. Het unieke zit ‘m enerzijds in de organisatie achter het blog: Het is opgezet door een samenwerkingsverband van KNMI (Rob van Dorland), PBL (Bart Strengers) en Marcel Crok (wetenschapsjournalist), oftewel een samenwerking tussen tussen mainstreamers  en sceptici. Daarnaast is ook de opzet van het blog uniek: Het doel is om in alle openheid een inhoudelijke discussie te faciliteren tussen experts met verschillende wetenschappelijke inzichten. Nu vindt er natuurlijk continue discussie plaats tussen wetenschappers (bijv op conferenties, workshops en in de wetenschappelijke literatuur), maar die is vaak niet direct toegankelijk voor het grote publiek. Daarnaast proberen we op dit blog in te zoomen op de hete hangijzers uit het publieke debat, die weliswaar in de reguliere wetenschappelijke  discussie ook een rol spelen, maar die daarin te midden van de vele andere issues niet altijd even prominent zichtbaar zijn. Bovendien wordt op ClimateDialogue, naast ‘mainstream’ wetenschappers ook  aan ‘sceptische’ wetenschappers gevraagd deel te nemen aan de discussie, van wie de perceptie bestaat dat zij er in de reguliere wetenschappelijke fora bekaaid van af komen (in de perceptie van sommigen door uitsluiting, in de perceptie van anderen doordat ze zichzelf afzonderen).

Het wetenschappelijke debat wordt gekenmerkt door een spectrum aan inzichten. Bij ClimateDialogue worden wetenschappers uitgenodigd  die het sterk met elkaar oneens zijn, dus we gaan op zoek naar de extremen en de grote verschillen. Het heeft dus expliciet niet de pretentie om daarmee een representatief beeld te schetsen van (het volle spectrum van) de wetenschappelijke discussie. Het idee is veeleer dat een dergelijke discussie tegenwicht kan bieden aan de toenemende polarisatie tussen ‘sceptici’ en ‘mainstreamers’. Idealiter leiden deze discussies tot meer helderheid over waar men het eigenlijk met elkaar over oneens is, waarover misschien juist wel, en wat de achtergronden en oorzaken zijn van de (on)enigheid.

Op diverse Internationale blogs zal deze week een gastblog over ClimateDialogue verschijnen. Deze is ook te vinden op mijn Engelstalige klimaatblog. Naast de drie bovengenoemde trekkers van het initiatief kijken er een zevental mensen over hun schouders mee als leden van een adviesraad. Disclaimer: Tot augustus dit jaar was ik betrokken bij de voorbereiding van het initiatief; nu heb ik zitting in de adviesraad.

Dit blog vloeit voort uit de motie Nepperus, waarin werd aangedrongen “dat ook klimaatsceptici bij vervolgstudies worden betrokken”. Ik vind het een mooi initiatief: De inhoudelijke geschilpunten blootleggen in een publiekelijk toegankelijk forum is heel nuttig. Het kan tot de nodige duidelijkheid en –misschien nog belangrijker- depolarisatie leiden, en dat kan het (publieke en wetenschappelijke) debat alleen maar ten goede komen. Er zitten echter ook risico’s aan een dergelijk project: De perceptie kan ermee gevoed worden dat de wetenschappelijke discussie door twee (gelijkwaardige) ‘kampen’ gedomineerd word (wat tot een ‘false balance’ leidt), of dat de mainstream wetenschap een monolithische eenheidsworst zou zijn (terwijl er in werkelijkheid ook binnen de mainstream continue discussie is en er een grote variatie aan inzichten is, maar dan vooral over details). Oftewel, het risico zit ‘m in de framing en de perceptie  van het project, en voor welke ideologische karretjes het gespannen zou kunnen worden. De discussies op de site zelf lijken me voornamelijk leuk, leerzaam en nuttig. Daarbij is de inbreng van goede wetenschappers natuurlijk wel een voorwaarde om het platform tot een succes te maken. Aarzel dus niet om contact op te nemen (met info [at] climatedialogue [dot] org of met mijzelf) als je je aangesproken voelt en niet bang bent voor een gemodereerd publiek debat!

Waarom Arctisch zee-ijs niemand koud zou moeten laten

Gast-blog van Neven.

Het Arctisch zee-ijs lijkt een nieuw record minimum te hebben bereikt, enkele weken voordat het zomerminimum doorgaans bereikt wordt. Het Arctisch zee-ijs smelt de laatste decennia ’s zomers veel meer dan in de voorafgaande eeuwen het geval was. Dit seizoensgebonden smelten gaat sneller dan verwacht werd door klimaatwetenschappers. Hoewel het smelten van zee-ijs niet direct tot een stijgende zeespiegel leidt (behalve dan een klein effect vanwege het verschil in zout-gehalte) zijn er wel degelijk consequenties aan de teloorgang van het Arctisch zee-ijs. Daarover gaat deze gast-blog van Neven, die een zeer informatief (Engelstalig) blog bijhoudt over Arctisch zee-ijs.

Arctisch zee-ijs werd ongeveer 47 miljoen jaar geleden een terugkerend fenomeen op de Aarde. Sinds de huidige ijstijd zo’n 2,5 miljoen jaar geleden begon, is de Arctische Oceaan volledig bedekt met een laag zee-ijs. Alleen tijdens interglacialen, zoals nu, smelt een deel van dat zee-ijs in de zomer omdat de top van de planeet tijdens de zomermaanden meer naar de Zon gericht is en dus grote hoeveelheden zonlicht ontvangt. Als de winter begint, ontstaat op het ijsvrije deel van de Arctische Oceaan weer een nieuwe laag ijs.

Vanaf het moment dat de menselijke beschaving ontstond, 5000 tot 8000 jaar geleden, was deze jaarlijkse cyclus van smeltend en weer terugvriezend Arctisch zee-ijs min of meer constant. Er zijn periodes geweest waarin wat meer zee-ijs smolt in de zomer, en periodes waarin er minder smolt. Onlangs heeft er echter een radicale verschuiving plaatsgevonden. Satellieten geven sinds een paar decennia een gedetailleerd beeld van het Arctische gebied en in die tijd is er een onmiskenbare reductie in de zomerse zee-ijsbedekking waargenomen. Toen in 2007 het vierde IPCC-rapport uitkwam, dacht men over het algemeen dat het Arctische gebied ergens tegen het einde van deze eeuw ijsvrij zou kunnen worden. Maar veranderingen voltrekken zich in zo’n hoog tempo dat de meeste experts nu denken dat het rond 2030 zou kunnen gebeuren. Sommigen zeggen zelfs dat het al dit decennium zover zou kunnen zijn.

Lees verder

Lange termijn zeespiegelstijging

Gast-blog van Martin Vermeer (TU Helsinki, Finland)

Het onlangs verschenen artikel “Long-term sea-level rise implied by 1.5 C and 2 C warming levels” met als hoofdauteur Michiel Schaeffer, bouwt voort op de semi-empirische methodiek van Kemp et al. 2011, “Climate related sea-level variations over the past two millennia”. Voor beide artikelen maakte ik (MV) deel uit van het auteursteam, samen met Stefan Rahmstorf van het Instituut voor Onderzoek aan de Effekten van Klimaatsverandering in Potsdam, Duitsland, de “vader” van de semi-empirische methode. Voor het Kemp et al. artikel was mijn rol heel aktief: ik ontwikkelde de Matlab-software die daarin gebruikt werd om een verzameling mogelijke zeeniveau-krommes en hun waarschijnlijkheid af te leiden (“Bayesian inference”) uit tijdseries voor globale temperatuur en zeeniveau. In het Schaeffer et al. artikel was mijn rol begrensd tot Michiel bijstaan in het uitbreiden van deze software tot het maken van voorspellingen voor komende eeuwen, op basis van IPCC-scenario’s voor temperatuur.

Het idee achter de semi-empirische methode is heel eenvoudig: Neem aan dat tussen de mondiaal gemiddelde temperatuur (over een passend tijdsinterval, bv. enkele decennia, om de invloed van  natuurlijke variatie zoals ENSO te verkleinen) en het mondiaal gemiddelde zeeniveau (zoals enkele groepen dat hebben berekend, zoals Church en White, en Jevrejeva en collega’s) een eenvoudige lineaire relatie bestaat. Dit is een redelijke aanname, zolang de veranderingen in temperatuur en in zeeniveau/globaal ijsvolume klein genoeg blijven: klein, bijvoorbeeld, in vergelijking met wat er tussen een ijstijd en een interglaciaal gebeurt.

Lees verder

Niet warm of koud van de zon!

Gast-blog van Bob Brand en Jos Hagelaars

In het online tijdschrift European Energy Review (EER) verscheen begin mei een interessant interview van Marcel Crok met professor Fritz Vahrenholt, de auteur van het (in Duitsland) spraakmakende boek “Die Kalte Sonne”.

Het interview is goed geschreven (complimenten aan Marcel), en bevat een gedetailleerde beschrijving van de loopbaan en achtergrond van Fritz Vahrenholt die o.a. voor Shell gewerkt heeft, voor de windturbine-fabrikant RePower en tot eind dit jaar de CEO is van RWE Innogy, de hernieuwbare-energie tak van het grote Europese energieconcern RWE. Vervolgens gaat Vahrenholt nader in op de centrale these van zijn boek: de invloed van de zon zou door de klimaatwetenschap en door het IPCC ernstig onderschat zijn. Vahrenholt stelt dat de invloed van CO2 daardoor juist overschat wordt, en dat een (volgens hem te verwachten) minder actieve periode van de zon ons de tijd zal geven om in alle rust aan ‘werkelijk duurzame’ oplossingen te werken.

Naarmate het interview vordert, worden de uitspraken van Dr. Vahrenholt steeds vergaander: blijkbaar hanteert Vahrenholt het tendentieuze boek ‘The Hockey Stick Illusion’ van Montford als referentiekader, en hij stelt dat we “misleid” zijn door het IPCC over het klimaat van de afgelopen 1000 jaar – het populaire verhaaltje van de Vikingen op (Zuidwest) Groenland komt weer voorbij, en dat dient dan als de onderbouwing voor deze veronderstelde misleiding.

Vervolgens is de zon eindelijk aan de beurt: Vahrenholt stelt dat de zon véél actiever geworden is na de ‘Little Ice Age’ (de koude periode in Europa en mogelijk ook elders, die van ca. 1300-1850 geduurd heeft) en dat van 1950 tot 2000 de zon extreem actief zou zijn geweest, waarbij Vahrenholt verwijst naar (voorlopig hypothetische) versterkingsmechanismen die ervoor zorgen dat de magnetische activiteit van de zon invloedrijker zou zijn dan de (relatief geringe) variatie in zonnesterkte. Daarna volgt er de bekende opvatting dat de temperaturen zich al 15 jaar op een ‘plateau’ zouden bevinden…

Lees verder

There’s always the sun!

Gast-blog van Jos Hagelaars

Al voordat het IPCC werd opgericht in 1988 kwam de punkband The Stranglers in 1986 met de interessante klimatologische stelling: There’s always the sun.
Nu, dat kan ik beamen, regelmatig wordt men geconfronteerd met de invloed van de zon als nagenoeg alles verklarende factor voor de stijging van de mondiale temperatuur de laatste halve eeuw. Vorige week was het weer zover toen ik de koptekst van een interview met Dr. Bas van Geel in Trouw op 7 mei las:

Invloed van zon veel groter dan klimaatpanel ons wil doen geloven.

De aanleiding voor het interview was het verschijnen van een artikel in Nature Geoscience, waarvan Dr. Bas van Geel een van de medeauteurs is. Volgens het interview is een van de bevindingen van het onderzoek dat de zon een veel grotere invloed op het klimaat heeft dan het klimaatpanel van de Verenigde Naties ons wil doen geloven. Een tendentieuze zin, in het interview wordt verder de hockeystick er weer bij gesleept en wil men de lezer doen geloven dat de invloed van CO2 op het klimaat schromelijk overschat wordt.

Het originele artikel heeft als titel:

Regional atmospheric circulation shifts induced by a grand solar minimum.

Het oog valt natuurlijk direct op het woord “Regional“.
Lees verder

Berichtgeving over gletsjerstudie Nature geeft gevarieerd beeld

Gast-blog van Jan Wuite, Ernst Schrama en Jan Paul van Soest:

Media op glad ijs

“Gletsjers en polen smelten minder dan gedacht” kopt een artikeltje op de populaire site nu.nl. Diverse andere media geven vergelijkbare berichten over een onderzoek dat begin februari in Nature verscheen. Verwarring troef. De boodschap in enkele media lijkt te zijn: hoera, het valt allemaal reuze mee, die wetenschappers destijds overdreven. Hiermee verdwijnen echter de belangrijkste conclusies van het onderzoek achter de horizon.

Hoe moet het onderzoek dan wel worden begrepen? En hoe verhoudt het zich tot eerdere studies? Trouw, De Volkskrant en NRC (Klimaatblog) lieten overigens zien dat het mogelijk is ook adequaat over een complexe studie te berichten.

Een icecap is geen ijskap

De terminologie steekt nauw. In veel media worden gletsjers, ijskappen en polen op één hoop gegooid, het onderscheid is onduidelijk. Het artikel richt zich met name op wat in vakjargon ‘glaciers and ice caps’ (GICs) wordt genoemd. Hiermee wordt bedoeld alle ijsmassa’s op land buiten Groenland en Antarctica. De term ‘icecap’ is niet te vertalen met het Nederlandse ‘ijskap’ – waarmee doorgaans het ijs op Groenland en Antarctica wordt aangeduid, en al helemaal niet met ‘polen’ (Noord- en Zuidpool). Met ‘icecap’ wordt bedoeld: een massa ijs die het land geheel bedekt, maar met een totale omvang kleiner dan 50.000 km2.Voorbeelden hiervan vinden we in IJsland en Patagonië. Voor het ijs op Groenland en Antarctica wordt de term ‘ice sheet’ gebruikt.  De verwarring kan nog groter worden als in de reacties, zoals de blogosfeer, ook nog eens zee-ijs over dezelfde kam wordt geschoren.

Amazing Grace

Er zijn diverse manieren ontwikkeld om de massabalans – verlies of aangroeien van ijs – van gletsjers te meten. Ze hebben zo allemaal hun voor- en nadelen. Een relatief nieuwe onafhankelijke manier is om te kijken naar veranderingen in het zwaartekrachtveld van de aarde. Dit kan met behulp van de GRACE-satellieten die zeer nauwkeurig veranderingen in zwaartekracht en dus massa kunnen meten.

GRACE-metingen hebben het voordeel dat ze maandelijkse veranderingen in massa kunnen registreren, in tegenstellig tot bijvoorbeeld altimetrische methodes, die alleen veranderingen van het volume kunnen registreren. Die kunnen dan ook niet vaststellen of de totale ijsmassa daadwerkelijk afneemt; de sneeuwlaag zou immers ook compacter kunnen zijn geworden waardoor wel de dikte, maar niet de massa afneemt. Er zijn ook nadelen. Zo zijn de GRACE-satellieten nog niet zo lang actief, sinds 2002, en de periode waarin veranderingen kunnen worden gemeten is bijgevolg ook nog niet zo lang. Ook is de ruimtelijke resolutie van GRACE aan de hoge kant –meer dan 300 km. GRACE-metingen worden daarnaast ook nog eens ‘vervuild’ door andersoortige massaveranderingen; denk aan veranderingen in de oceanen, de atmosfeer, water op land en glacio-isostatic adjustment, het ‘opveren’ van de onderliggende landmassa als de zwaartekrachtdruk van ijs door smelt afneemt. Al deze invloeden moeten worden gemodelleerd om tot een juist beeld te komen van het totale ijsverlies.

GRACE-metingen worden al enkele jaren gebruikt om ijsverlies op Antarctica en Groenland in kaart te brengen. Het recente Nature-artikel is een poging om consistent massaveranderingen van glaciers and ice caps (GIC’s) op aarde in kaart te brengen. Alle gebieden zijn apart in detail geanalyseerd. En passant wordt daarbij ook nog even Groenland en Antartica in ogenschouw genomen.

Monnikenwerk

Voordat met GRACE kon worden gemeten moesten schattingen van het massaverlies worden gemaakt op grond van onder meer directe waarnemingen, (oude) fotobeelden, toetsing daarvan aan modellen, en de extrapolatie van een beperkt aantal schattingen naar een schatting voor ijsverlies bij GIC’s over de hele aarde. Monnikenwerk. Recent promoveerde zo’n “monnik”, Paul Leclercq, aan de Universiteit van Utrecht op zo’n exercitie.

Er zijn circa 160.000 gletsjers en ijskappen op aarde; slechts voor een beperkt aantal hiervan is dit soort monnikenwerk verricht. Op basis daarvan vond dan de extrapolatie naar wereldwijd ijsverlies plaats. Omdat de metingen relatief vaak aan lager gelegen gletsjers zijn verricht zijn eerdere inschattingen van het massaverlies wellicht hoger uitgevallen. Dit lijkt met name het geval te zijn geweest in de Himalaya (maar ook daar neemt het ijs af). De onderzoekers stellen:

The GIC rate for 2003–2010 is about 30 per cent smaller than the previous mass balance estimate that most closely matches our study period. 

Maar wat ook duidelijk uit de studie naar voren komt is dat – hoewel soms individuele gletsjers groeien – in geen van de vergletsjerde gebieden op aarde thans significante ijsgroei plaatsvindt. In veel gebieden neemt het ijs zeer sterk af, met name in Alaska, Arctisch Canada en Patagonië. 

Veranderingen in ijsdikte (cm water equivalent/jaar) gedurende 2003-2010 zoals gemeten m.b.v. GRACE (exclusief Groenland en Antarctica).

In diverse publicaties over de Nature-studie wordt ook gesuggereerd dat Groenland en Antarctica minder snel smelten dan verwacht. Dat is onjuist – de studie bevestigt namelijk eerdere metingen die aan die grote ijskappen zijn gedaan. Deze nemen niet alleen enorm af, maar de afname versnelt bovendien.

De studie bevestigt eerdere studies wat betreft de mate van zeespiegelstijging door smeltend ijs, en laat zien dat dit ongeveer de helft van de totale zeespiegelstijging is. De andere helft wordt veroorzaakt door uitzetting van opwarmend water. De onderzoekers schrijven:

The total contribution to sea level rise from all ice-covered regions is thus 1.48 ± 0.26 mm/yr, which agrees well with independent estimates of sea level rise originating from land ice loss and other terrestrial sources.

Nuances

Toekomstig onderzoek zal ongetwijfeld weer tot nieuwe inzichten leiden en mogelijk wat andere waarden opleveren voor de massabalansen. Zo werkt wetenschap nu eenmaal: de huidige beste kennis kan later weer vervangen worden door nog weer betere kennis. Immers, óók bij de geavanceerde satellietmetingen met GRACE zijn er onzekerheidsmarges van circa 10% in de zo bepaalde massabalansen. Om die te kunnen maken waren – op andere studies gebaseerde – veronderstellingen nodig om te corrigeren voor het eerdergenoemde effect van ‘terugveren’ van de aarde bij verlies aan ijsmassa. Voor Groenland is dit zogeheten postglaciale opheffingseffect waarschijnlijk beter bekend dan voor Antarctica.

Voor wat betreft de smeltende gletsjers zit een deel van de onzekerheid in de aard van de metingen met GRACE. Een ander deel van de onzekerheid wordt veroorzaakt door de modellen die worden gebruikt om op basis van de GRACE-meetgegevens ijsmassabalansen te maken.

Als we al deze nuances in beschouwing nemen, dan was wellicht een betere kop voor de media geweest: ‘Studie Universiteit van Colorado, Boulder laat zien dat gletsjers en ijskappen wereldwijd jaarlijks miljarden ton aan ijs verliezen’. Maar ja, dat komt natuurlijk minder sensationeel over dan ‘gletsjers en polen smelten minder dan gedacht’.

Jan Wuite, glacioloog-geoloog Universiteit van Luxemburg
Ernst Schrama, Technische Universiteit Delft, expert satellietmetingen
Jan Paul van Soest, partner De Gemeynt – adviseurs en entrepreneurs in duurzaamheid

Voor de liefhebbers: hier is het oorspronkelijke Nature artikel, en een “news & views” daarover (beiden achter een paywall). 

Nadere tekst en uitleg over het onderzoek:
University of Colorado
PhysOrg (eveneens herkomst van de figuur, Credit: NASA/JPL-Caltech/University of Colorado)
Video blog over de Nature studie

Nadere achtergrond en andere studies:
Klimaatportaal FAQ “smelten de ijskappen?”

Globaal gemiddelde temperatuur: korte termijn variatie vs lange termijn trend

Van maand tot maand, en zelfs van jaar tot jaar, vertoont de globaal gemiddelde temperatuur veel variatie. Dat zorgt ervoor dat over tijdsschalen korter dan ruwweg 10-15 jaar de onderliggende trend niet goed zichtbaar is.

Voor klimaatverandering (lange termijn verandering in de gemiddelde weerssituatie) is het van belang om onderscheid te maken tussen de korte termijn variatie en de lange termijn trend.

(doubleclick to see animation; via SkS)

Ook in aanwezigheid van een lange termijn trend zijn er perioden van stagnerende temperatuur. Dat wordt ook door klimaatmodellen voorspeld, alleen kan de precieze timing ervan niet worden voorspeld (omdat de ENSO cyclus en vulkanen niet voorspelbaar zijn op tijdsschalen van meerdere jaren).

Een groot deel van de variatie op een tijdsschaal van enkele jaren valt terug te voeren op de effecten van natuurlijke processen zoals de El Nino/La Nina cyclus, grote vulkaanuitbarstingen, en de zonnecyclus. Deze invloeden kunnen op basis van fysische principes gekwantificeerd worden (zoals in grootschalige klimaatmodellen wordt gedaan). Het is ook mogelijk om op basis van een regressie analyse van de mondiale temperatuur de meest waarschijnlijke invloed ervan te bepalen. Als dan voor de invloed van deze processen gecorrigeerd wordt, komt de opwarmende trend duidelijker uit de ruis te voorschijn.

Dit is in een notedop wat Foster en Rahmstorf hebben gedaan in hun recente artikel. Daarin laten ze de data als het ware voor zichzelf spreken, zonder enige aanname over werkingsmechanisme of de mate van invloed van de verschillende factoren. Het komt erop neer dat ze hebben gekeken met welke combinatie van bovengenoemde natuurlijke factoren en een lineaire trend (als proxy voor het menselijke global warming signaal) de gemeten opwarming het beste gesimuleerd kan worden. Daarbij is ook rekening gehouden met een eventuele vertraagde respons (door dat ook in de regressie op te nemen).

De maandelijkse waarden van de ‘gecorrigeerde’ globaal gemiddelde temperatuur vertonen nog steeds flinke pieken en dalen, maar alleen over korte tijdsschalen vanminder dan een jaar. Deze variaties zijn onderdeel van het chaotische element in ‘het weer’. Door de jaarlijkse waarden van de gemeten en de voor natuurlijke factoren gecorrigeerde opwarming met elkaar te vergelijken wordt duidelijk dat over meerdere jaren bekeken de opwarming gestaag aan het doorgaan is:

(In de bovenste van deze twee figuren zijn de verschillende datasets verticaal verschoven voor de duidelijkheid)

Een zelfde soort analyse is enkele jaren geleden ook door Lean en Rind gedaan. Zij gebruikten een langere tijdsperiode (1889 – 2006), waardoor de menselijke invloed ook niet meer met een lineaire trend gesimuleerd kon worden. In plaats daarvan gebruikten zij een combinatie van broeikaswarming en aerosolkoeling. Qua fysische onderbouwing sterker, maar het vereist wel extra aannames over de relatieve sterkte van de broeikas en aerosolforcering (en de laatste is heel onzeker). Beide keuzes zijn verdedigbaar, en beiden hebben hun specifieke voor- en nadelen.

Een korte versie van deze analyse heb ik op 12 december op het klimaatsymposium gepresenteeerd. Zie mijn slides hier. Commentaar van Tamino op zijn eigen artikel. Een flinke discussie over dit artikel werd ook al gevoerd op een vorige blogspost.

Update (15 oktober): In een latere blog ga ik verder in op het verschil tussen korte termijn variaties en een lange termijn trend: De onderliggende opwarmende trend gaat gewoon door, terwijl door natuurlijke variaties en andere factoren die trend tijdelijk gemaskeerd kan worden.