Categorie archief: Klimaatwetenschap

Goed Nieuws over de Klimaatgevoeligheid?

Gastblog van Jos Hagelaars

De klimaatgevoeligheid blijft de gemoederen bezig houden, je zou met een knipoog kunnen zeggen dat het onderwerp ‘gevoelig’ ligt. In het IPCC 2007 rapport stond dat de temperatuur op aarde uiteindelijk met 3 °C zou stijgen per verdubbeling van de CO2 concentratie, met als ‘likely’ (>66% kans) grenzen 2 – 4.5 °C, de equilibrium climate sensitivity oftewel de ECS. Deze 3 °C was gebaseerd op vele onderzoeken vanuit meerdere invalshoeken, zoals het instrumentele tijdperk, klimaatmodellen, de gemiddelde klimatologie of de paleoklimatologie.

In Nature Geoscience is op 19 mei van Dr. Alexander Otto van de University of Oxford en anderen een artikel (verder afgekort als Otto-2013) verschenen met schattingen voor de klimaatgevoeligheid op basis van het energiebudget over de afgelopen decennia. De auteurs, waaronder meerdere bekende namen uit de mainstream, maar bijvoorbeeld ook de sceptische Nic Lewis, concluderen:

• “The most likely value of equilibrium climate sensitivity based on the energy budget of the most recent decade is 2.0 °C, with a 5–95% confidence interval of 1.2–3.9 °C, compared with the 1970–2009 estimate of 1.9 °C (0.9–5.0 °C).”

 • “The best estimate of TCR [transient climate response] based on observations of the most recent decade is 1.3 °C (0.9–2.0 °C). This is lower than estimates derived from data of the 1990s (1.6 °C (0.9–3.1 °C)) or for the 1970–2009 period as a whole (1.4 °C (0.7–2.5 °C)).”

Lees verder

Hans Labohm vindt de projecties van de klimaatwetenschap te optimistisch

Gastblog van Hans Custers

In zijn stukje van afgelopen donderdag haalt Hans Labohm een oude klimaatsceptische koe uit de sloot: de tropische hotspot. Of eigenlijk: de vermeende afwezigheid ervan. Hij wekt de suggestie dat die hotspot samen zou moeten hangen met de opwarming door het versterkte broeikaseffect, maar dat is onjuist. De hotspot wordt verwacht als gevolg van opwarming aan het aardoppervlak, ongeacht de oorzaak; dit wordt erkend door diverse klimaatsceptici, zoals Richard Lindzen. De hotspot een direct gevolg van de zogenaamde negatieve “lapse rate feedback”. Als de hotspot zwakker is dan in het algemeen wordt gedacht, zou de klimaatwetenschap de klimaatgevoeligheid onderschatten.

Het heeft allemaal te maken met het transport van warmte naar de bovenkant van de troposfeer, op zo’n 10 kilometer hoogte, door convectie en door verdamping en condensatie van water. Een sterk vereenvoudigde weergave van dat proces, zoals in de afbeelding hieronder, heeft iedereen wel eens gezien.

Warmtetransport via convectie en verdamping en condensatie van water

Warmtetransport via convectie en verdamping en condensatie van water

Lees verder

KNMI: Toename Antarctisch zeeijs juist gevolg van opwarming

De gemiddelde Nederlander kent het KNMI voornamelijk van de dagelijkse weersverwachting.  Daarnaast wordt er echter ook hoogwaardig onderzoek verricht o.a. op het gebied van de klimaatwetenschap. Daarin speelt het KNMI op het hoogste niveau mee.

De nieuwste KNMI publicatie, van Richard Bintanja, Geert Jan van Oldenborgh, Sybren Drijfhout, Bert Wouters en Caroline Katsman, verscheen op 31 Maart 2013 in Nature Geoscience en betreft een verklaring voor de toename van de zeeijsbedekking rond Antarctica.

In tegenstelling tot het Arctische gebied, waar de zeeijsbedekking met ca 4.1% per jaar afneemt, neemt dit in het Antarctische gebied juist toe en wel met 0.9% per jaar (zie deze NSIDC pagina of SkS post). Hoe kan dat nu als de wereld opwarmt zou je je kunnen afvragen?

De publicatie van Bintanja et al geeft een plausibele en fysisch logische verklaring voor de observaties, welke tevens door modelsimulaties onderbouwd wordt. Kort gezegd komt het er op neer dat het afsmelten van landijs (vnl door warm oceaanwater) zorgt voor een koude en zoete (en dus lichtere) laag water aan het oppervlak. Deze laag fungeert als een koude deksel op het warmere diepere water, en in dit koude oppervlaktewater kan zeeijs zich verder uitbreiden.

Lees verder

Arctische winter eindigt met luid gekraak

Gastblog van Neven. Engelse versie op Neven’s blog.

Men stelt zich bij het pakijs boven op de Arctische Oceaan vaak een monolithische, drijvende ijsplaat uit één stuk voor. Van dichterbij bekeken wordt al snel duidelijk dat het eigenlijk een verzameling van grotere en kleinere ijsschotsen is. We kennen allemaal de beelden van ijsschotsen die in de zomer door open water gescheiden worden, maar zelfs tijdens de winter ontstaan er in de poolkap barsten die honderden tot duizenden kilometers lang kunnen worden en weer snel dichtvriezen.

20110319 USS Connecticut

Dit verklaart hoe sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw onderzeeërs in staat waren om ter hoogte van de Noordpool tevoorschijn te komen (op de foto hierboven is te zien hoe de USS Connecticut op 19 maart 2011 aan de oppervlakte verschijnt; copyright: Kevin S. O’Brien, U.S. Navy). De onderzeeërs konden niet door het dikke ijs breken en moesten dan op zoek naar een zogeheten lead waar het ijs dunner was. Vreemd genoeg wordt dit fenomeen misbruikt door mensen die het bestaan en de mogelijke gevolgen van de door de mens veroorzaakte opwarming van de Aarde ontkennen, alsof het zou bewijzen dat de huidige ontwikkelingen in het hoge noorden niet ongewoon zijn. Maar het bewijst helemaal niets, omdat barsten altijd al een normale eigenschap van de Arctische zee-ijskap zijn geweest.

‘Normaal’ is echter een woord dat de laatste jaren steeds minder van toepassing is op het Arctische gebied. Het smeltseizoen van 2012 was een nieuwe climax in een serie van recordjaren en liet zien dat het zee-ijs dunner is dan het in lange tijd is geweest. We hoeven niet eens het komende smeltseizoen af te wachten om dit herbevestigd te zien, aangezien het aan het einde van het huidige vriesseizoen al zichtbaar is. Zoals net gezegd zijn barsten in het zee-ijs gebruikelijk in het Arctische gebied, maar de video hieronder gemaakt door het Visualization Lab van Amerikaans meteorologisch instituut NOAA toont een gebeurtenis die zeer zeldzaam, zo niet uniek is voor deze tijd van het jaar:

IJs, hoe dun ook, breekt niet uit zichzelf, maar heeft daarvoor wind nodig. Deze wind werd in dit geval veroorzaakt door een groot, krachtig en koppig hogedrukgebied dat een maand geleden ontstond en de Beaufort Gyre aanzwengelde, een oceaanstroming die zee-ijs van de Noord-Amerikaanse kust richting Siberië vervoert.

De volgende korte animatie van ASCAT radarbeelden met een interval van 10 dagen laat de beweging zien vanaf 1 januari, vergeleken met de drie voorgaande winters. De zwarte stip stelt de Noordpool voor, de witte massa daaronder is het noordelijke deel van de Groenlandse IJskap, de lichtere kleuren staan voor het dikkere meerjarige zee-ijs dat het vorige smeltseizoen heeft overleefd:

Lees verder

Het smelten van het Arctische zee-ijs

Gastblog van Jos Hagelaars

Onder deze titel is op de website ClimateDialogue een discussie gehouden over de mogelijke oorzaken van het verdwijnen van het Arctische zee-ijs gedurende de afgelopen decennia. Drie experts namen daar aan deel, dit waren Walt Meier, Research Scientist bij het NSIDC, Judith Curry, professor bij het Georgia Institute of Technology en Ron Lindsay, Senior Principal Physicist bij de University of Washington, department Polar Science Center.

In dit blogstuk geef ik allereerst een situatieschets van de observaties van het Arctische gebied en daarna een kort overzicht van de oorzaken van de teruggang van het zee-ijs met daarin verwerkt de meningen zoals die door de drie experts op ClimateDialogue zijn geuit. De laatste onderdelen betreffen de uniciteit van de afname van het ijs in historisch perspectief en het mogelijk ijsvrij worden  in de zomer.

Resultaten van de observaties van het Arctische gebied sinds 1979

Sinds 1979 wordt het Arctische gebied uitgebreid gemonitord met satellieten. Het betreft hier o.a. het oppervlak aan ijs, de omvang van het gebied bedekt met ijs en tevens de hoeveelheid ijs. Het resultaat daarvan is in meerdere opzichten opzienbarend. Zo is het ijsoppervlak en de hoeveelheid meerjarig ijs in de afgelopen 3 decennia in hoog tempo afgenomen, gevisualiseerd door onderstaande beelden gegenereerd door Nasa (zie hier en hier).

Lees verder

De knoppen van het klimaat en de schakelende oceaan

Gastblog van Hans Custers

Na enkele pittige discussies met Bert Amesz kreeg ik onlangs de kans om zijn boek te bekijken. Die kans kon ik niet laten liggen. Het eerste deel van deze blogpost is een bespreking van het boek; het tweede deel gaat wat verder in op de visie van Bert Amesz op de klimaatwetenschap.

Het boek: Aan de knoppen van het klimaat

Laat ik met het positieve beginnen: er is bijzonder veel aandacht besteed aan de vormgeving en aan fraaie illustraties. En Amesz is bereid om zonder morren bepaalde elementaire wetenschappelijke inzichten, zoals het broeikaseffect, te accepteren.

Het boek wordt gepresenteerd als een populair-wetenschappelijke uitgave over alles wat met klimaatwetenschap en klimaatverandering te maken heeft. Maar meer dan dat is het een boek met een boodschap. Die boodschap klinkt van de eerste tot en met de laatste pagina luid en duidelijk door: het valt reuze mee met die klimaatverandering en al helemaal met de menselijke invloed; voor zover we er al iets over kunnen zeggen, want er is nog zo veel onbekend en onzeker en de wetenschap is tot op het bot verdeeld. Het feit dat verschillende wetenschappelijke instituten in de wereld onafhankelijk van elkaar – en dus niet volledig identiek – gegevensreeksen over de wereldtemperatuur bijhouden wordt opgevoerd als bewijs van tweespalt en zelfs ruzie in de wetenschappelijke wereld. Dat een overgrote meerderheid van de wetenschappers spreekt van consensus, dat die overgrote meerderheid het met elkaar eens is dat een aanzienlijke menselijke invloed zeer waarschijnlijk is, meldt het boek dan weer niet. Amesz schetst liever het beeld van “onderzoekers van het IPCC” die de opdracht zouden hebben om zich op de menselijke invloed te concentreren. In werkelijkheid heeft het IPCC geen onderzoekers in dienst, verstrekt het ook geen onderzoeksopdrachten en geeft het op geen enkele manier sturing aan het klimaatonderzoek dat aan tal van gerenommeerde wetenschappelijke instituten over de hele wereld wordt uitgevoerd.

Amesz meent dat hij net zo veel gewicht toe moet kennen aan verhalen van clubs als het NIPCC – enkel en alleen opgericht om twijfel te zaaien over de wetenschap – als aan de door tienduizenden wetenschappers ondersteunde IPCC-rapporten. Dat het IPCC in de wetenschap een middenpositie inneemt en dat de geschiedenis laat zien dat de wetenschap juist geneigd is tot terughoudendheid wil hij al helemaal niet weten. Deze “framing” van de discussie zien we vaker: de breed geaccepteerde wetenschap wordt als een “alarmistisch” uiterste in het spectrum aan opvattingen afgeschilderd en tegenover het andere uiterste – de ontkenning van de elementaire wetenschap van het broeikaseffect – geplaatst, alsof de redelijkheid hier in het midden zou liggen.

Alarmisten-Sceptici

De positie van sceptici, alarmisten en de wetenschap

Lees verder

De sceptische top 10 of: waarom klimaatsceptici ongeloofwaardig zijn (Epiloog)

Gastblogger Hans Custers behandelt “De 10 redenen waarom er geen klimaatcatastrofe komt” van Climategate.nl

Ik geef het toe, “Epiloog” is een nogal pretentieuze benaming voor wat losse eindjes die zijn blijven liggen na de top 10 serie. Maar het staat zo mooi. Over naar de losse eindjes.

Het meest opvallend is voor mij wel hoe overbekend alle punten uit de top 10 zijn die ik de afgelopen maanden heb doorgenomen. In verhalen van klimaatsceptici lezen we om de haverklap dat de grote doorbraak er nu toch echt is, of anders wel dat hij er op korte termijn zit aan te komen. Maar een klimaatsceptische top 10 zou er 5 jaar geleden nauwelijks anders uitgezien hebben dan het huidige lijstje. Oude wijn in nieuwe zakken. De weerleggingen zijn ook al jaren bekend. Dag in dag uit zien we hoe sceptici die weerleggingen negeren. Op die manier weigeren ze systematisch de discussie een stap verder te brengen. Jarenlang dezelfde kreten herhalen is blijkbaar genoeg om twijfel te zaaien. Twijfel ondermijnt het gevoel van urgentie in de samenleving om het probleem aan te pakken. We kunnen alleen maar concluderen dat het daar allemaal om begonnen is.

In elke wetenschappelijke discipline komen dwarsliggers voor: mensen die de gevestigde orde en opvattingen steeds weer uitdagen. Zo hoort het ook, om verder te komen heeft de wetenschap die permanente uitdaging nodig. Ook de klimaatwetenschap zou deze dwarsliggers moeten koesteren, hoe irritant ze soms ook kunnen zijn. Het vervelende is dat het onderscheid tussen deze dwarsliggers en politiek gemotiveerde wetenschapsbashers heel onduidelijk is geworden. Ook in dit opzicht bewijst de klimaatsceptische campagne de wetenschap een slechte dienst.

Lees verder

De sceptische top 10 of: waarom klimaatsceptici ongeloofwaardig zijn (7 t/m 9)

Gastblogger Hans Custers behandelt “De 10 redenen waarom er geen klimaatcatastrofe komt” van Climategate.nl

7. De zon was in de tweede helft van de 20e eeuw actiever dan in duizenden jaren daarvoor en het is logisch dat de temperatuurstijging daarna nog een tijdje doorgaat
8. Sinds 2007 is de zon geleidelijk aan het inslapen en krijgen we vanaf 2013 volgens Prof. De Jager een Dalton minimum (koude fase uit kleine ijstijd) en volgens anderen zelfs een bitterkoude herhaling van het Maunder minimum
9. Onderzoek van Bas van Geel levert keihard bewijs voor de extreme gevoeligheid van het klimaat voor veranderingen van de zon

Daar hebben we de zon nog een keer. Die was in punt 5 al voorbij gekomen, maar blijkbaar was dat niet genoeg. Misschien is die extra aandacht wel terecht, want de zon is nu eenmaal de drijvende kracht van het klimaat. Zonder zon zouden we helemaal geen klimaat hebben, zou je zelfs kunnen zeggen.

Deze drie argumenten over de zon leggen meteen een probleem bloot. Er komen al jarenlang allerlei sceptische theorieën voorbij over de zon die elkaar deels overlappen, deels heel andere kanten opgaan en elkaar soms zelfs tegenspreken. Het lijkt wel of de meeste klimaatsceptici naar believen uit al deze theorieën de elementen plukken die ze op een bepaald moment van pas komen, waardoor het nogal onduidelijk wordt wie wanneer welke theorie wel of niet serieus neemt.

sunspotnumbers_strip

Activiteit van de zon sinds 1600

Het klopt wel dat de zon in de tweede helft van de vorige eeuw behoorlijk actief was. Zeker actiever dan in honderden jaren daarvoor en misschien waren het er zelfs wel duizenden. Hoe het precies zit ligt er aan hoe je zonne-activiteit definieert en welke reconstructie je bekijkt. Het vervelende nieuws voor de aanhangers van zonnetheorieën is wel dat de top van die activiteit rond het midden van de twintigste eeuw lag. En dat er vooralsnog geen zinnige verklaring is voor een invloed van de zon op de snelle opwarming die in de jaren zeventig begon. Een beperkte invloed van die actieve zon op de temperatuurstijging tot het midden van de 20e eeuw wordt trouwens algemeen geaccepteerd door de wetenschap. De invloed van variaties in zonneactiviteit op het klimaat is goed in te schatten, omdat er voldoende bekend is over de variaties in zonnestraling die daarmee samenhangen. Lees verder

De sceptische top 10 of: waarom klimaatsceptici ongeloofwaardig zijn (6)

Gastblogger Hans Custers behandelt “De 10 redenen waarom er geen klimaatcatastrofe komt” van Climategate.nl

6. Sinds de super El Ninjo van 1998 stijgt de wereldtemperatuur niet meer

Daar is het magisch jaar weer. 1998, baken van hoop en inspiratie voor veel klimaatsceptici. Laat ik hier eens iets positiefs zeggen over de top 10. Meestal zit er een grote adder onder het gras als sceptici over 1998 beginnen, maar deze keer is de adder duidelijk zichtbaar: de super El Niño. El Niño jaren zijn altijd warmer dan gemiddeld; een jaar met een super El Niño is veel warmer dan gemiddeld. Na zo’n El Niño daalt de temperatuur weer gewoon en het is volstrekt logisch dat het even duurt voordat we door de geleidelijke stijging door het toenemende broeikaseffect weer op het niveau van die tijdelijke hoge piek komen.

Wie bezig is met kwantitatief onderzoek wil altijd proberen om zoveel veel mogelijk informatie aan zijn moeizaam verkregen cijfers te ontfutselen. Met de verhouding tussen signaal en ruis als eeuwig terugkerende bron van frustratie. Er is een aparte tak van wetenschap die tal van gereedschappen heeft ontwikkeld om informatie uit cijfers te persen en om te bepalen hoe betrouwbaar die informatie is: de statistiek. Als een bekende Nederlandse klimaatscepticus beweert dat het maar een menselijk verzinsel is dat je het gemiddelde weer over 30 jaar moet gebruiken om het klimaat te bepalen, dan heeft hij het mis. Dat hebben wij mensen niet bedacht, dat heeft de statistiek voor ons bepaald. Sommigen schijnen te denken dat dat betekent dat je pas over dertig jaar iets over het klimaat van nu kunt zeggen. Dat is niet waar. Elke keer als er nieuwe cijfers zijn kun je weer een nieuw gemiddelde over 30 jaar berekenen. De invloed van één warm, koud, droog, nat, stormachtig of rustig jaar op dat gemiddelde is natuurlijk wel beperkt. Wie een kortere periode wil beschouwen mag dat vanzelfsprekend ook doen – het kan zelfs wel eens zinvol zijn – maar als je daarbij geen rekening houdt met de regels van de statistiek is er een grote kans dat je de mist in gaat. Wetenschappers komen bij analyses over een korte termijn vaak tot een conclusie als: “Er is geen statistisch significante stijging”. Sceptici vertalen dat naar: “Het warmt niet op”, Statistisch significant betekent in het algemeen: met een waarschijnlijkheid van meer dan 95%. Geen statistisch significante opwarming betekent dus dat de kortdurende variaties (de ruis) te groot is om met 95% zekerheid een onderliggende trend (het signaal) te kunnen onderscheiden (als je alleen naar dat korte tijdsinterval zou kijken). Je zou het ook om kunnen draaien: als er meer dan 5% kans is dat er geen signaal tussen de ruis zit, dan vindt de wetenschap dat terughoudenheid op zijn plaats is. In de klimaatsceptische blogosfeer wordt heel vaak misbruik gemaakt van de (terechte) neiging tot terughoudendheid van wetenschappers.

Maar goed, ik kan me best voorstellen dat niet iedereen altijd zin heeft in uitgebreide statistische analyses. Het is ook niet mijn hobby. Je zou om te beginnen een heel simpele vuistregel aan kunnen houden: als een berekende trend, of ander analyseresultaat, sterk verandert als je het begin- of eindpunt van de berekening een jaartje eerder of later neemt, dan klopt er iets niet. Waarschijnlijk is de periode te kort en anders is er iets anders mis. Via Wood For Trees en de Temperature Trend Calculator van SkS is het mogelijk om hier wat mee te spelen. Ik neem aan dat het wel duidelijk is dat deze tools leuk zijn om wat door de gegevens te grasduinen, maar dat je er geen state-of-the-art wetenschap mee bedrijft.

Escalator_2012_500

“The Escalator”

Lees verder

De sceptische top 10 of: waarom klimaatsceptici ongeloofwaardig zijn (4)

Gastblogger Hans Custers behandelt “De 10 redenen waarom er geen klimaatcatastrofe komt” van Climategate.nl

“4. Er is een stortvloed aan recent onderzoek dat wijst op een hele kleine rol van CO2 en een hele grote van zon en oceanen”

De zon en de oceanen spelen onmiskenbaar een hele grote rol in het klimaat. Ze hebben veel meer invloed dan CO2. Ik denk niet dar er ooit één serieus wetenschappelijk artikel is verschenen dat beweert dat het anders is. Als je er zo naar kijkt klopt deze stelling. Het is daarmee een mooi voorbeeld van een halve waarheid, die prima zou passen in het stuk dat Bart Verheggen ooit over dit onderwerp schreef. De suggestie die gewekt wordt: de factoren die een grote rol spelen in het klimaat op zich, moeten ook hun stempel drukken op de opwarming die we sinds ruim dertig jaar zien.

Met dat door elkaar halen van het klimaat in het algemeen enerzijds en de recente opwarming anderzijds komen we bij een grote denkfout die veel klimaatsceptici maken: dat klimaatwetenschap eigenlijk klimaatveranderingswetenschap is; dat de wetenschappers alleen maar bezig zijn met die afgelopen 30 jaar. Niets is minder waar. Klimatologen proberen de werking van het hele klimaatsysteem te begrijpen. Dat begint bij de vraag: waarom is het klimaat zo als het is? Naarmate je dat beter begrijpt, begrijp je de veranderingen ook beter. Aan de andere kant kunnen veranderingen ook helpen om meer inzicht in het systeem te krijgen.

ipcc_ar4_wg1_ch1_fig_1_2_big

Schets van de ontwikkeling van de klimaatwetenschap sinds mid jaren ’70. FAR, SAR, TAR en AR4 staan voor de jaren waarin IPCC rapporten verschenen, achtereenvolgens 1990, 1995, 2001 en 2007

Lees verder