De klimaatgevoeligheid blijft de gemoederen bezig houden, je zou met een knipoog kunnen zeggen dat het onderwerp ‘gevoelig’ ligt. In het IPCC 2007 rapport stond dat de temperatuur op aarde uiteindelijk met 3 °C zou stijgen per verdubbeling van de CO2 concentratie, met als ‘likely’ (>66% kans) grenzen 2 – 4.5 °C, de equilibrium climate sensitivity oftewel de ECS. Deze 3 °C was gebaseerd op vele onderzoeken vanuit meerdere invalshoeken, zoals het instrumentele tijdperk, klimaatmodellen, de gemiddelde klimatologie of de paleoklimatologie.
In Nature Geoscience is op 19 mei van Dr. Alexander Otto van de University of Oxford en anderen een artikel (verder afgekort als Otto-2013) verschenen met schattingen voor de klimaatgevoeligheid op basis van het energiebudget over de afgelopen decennia. De auteurs, waaronder meerdere bekende namen uit de mainstream, maar bijvoorbeeld ook de sceptische Nic Lewis, concluderen:
• “The most likely value of equilibrium climate sensitivity based on the energy budget of the most recent decade is 2.0 °C, with a 5–95% confidence interval of 1.2–3.9 °C, compared with the 1970–2009 estimate of 1.9 °C (0.9–5.0 °C).”
• “The best estimate of TCR [transient climate response] based on observations of the most recent decade is 1.3 °C (0.9–2.0 °C). This is lower than estimates derived from data of the 1990s (1.6 °C (0.9–3.1 °C)) or for the 1970–2009 period as a whole (1.4 °C (0.7–2.5 °C)).”
Het veelbesproken artikel van John Cook et al. vindt een zeer sterke consensus in de wetenschappelijke literatuur dat de recente klimaatverandering door mensen wordt veroorzaakt: Van de abstracts waarin een positie wordt ingenomen over de oorzaak van de opwarming van de aarde, onderschrijft 97% (impliciet of expliciet) een menselijke oorzaak daarvan.
Op Lucia’s blog schrijft Brandon Shollenberger over een manier om de resultaten van 12.280 van de 12.465 abstracts te doorzoeken. Op basis van deze zoekmethode en de SkS richtlijnen, geeft Marcel Crok de volgende uitsplitsing van de resultaten (onderschrijven of afwijzen van een menselijke oorzaak van de opwarming):
De 97% wordt verkregen door de som van de categorieën 1 t/m 3 te nemen als percentage van alle categorieën behalve 4. Dit percentage is 98% op basis van de getallen hierboven, maar dit zijn niet de officiele en complete aantallen.
Natuurlijk kunnen verschillende andere fracties worden berekend op basis van deze getalen, elk met een iets andere betekenis: Van die abstracts die een kwantitatieve inschatting geven van de bijdrage van menselijke activiteiten aan de opwarming onderschrijft 87% (65/75) een dominante menselijke oorzaak. En van die abstracts die een expliciet standpunt innemen over de oorzaak van de opwarming onderschrijft 97,6% (999/1024) een menselijke oorzaak.
Hoe je het ook wendt of keert, er is een sterke wetenschappelijke consensus.
Voor klimaatgerelateerde discussie die niet onderwerp van een recente blog zijn.
De vorige open discussie (Lente 2013) heb ik gesloten voor comments omdat Arthur Rorsch zijn vertrek daar aankondigde (en daarmee de discussie die hij aanzwengelde tot een natuurlijk einde is gekomen) en om het aantal commentaren binnen de perken te houden.
De genodigde experts op ClimateDialogue zijn Rasmus Benestad (bekend van o.a. RealClimate), Demetris Koutsoyiannis en Armin Bunde. Zeker de openingsblog van Rasmus is zeer verhelderend en lezenswaardig. Hieronder volgt een korte introductie op de discussie. Een uitgebreidere (Engelstalige) versie staat op OurChangingClimate en natuurlijk op ClimateDialogue (met kleine verschillen).
Het klimaat kan door verschillende oorzaken veranderen:
– Natuurlijke interne variabiliteit (bijv. als gevolg van oceaanschommelingen)
– Natuurlijke klimaatforcering (bijv. veranderingen in de zon of vulkanisme)
– Anthropogene klimaatforcering (bijv. veranderingen in broeikasgassen of aerosolen)
Het IPCC AR4 rapport zei hierover: “it is extremely unlikely (<5%) that recent global warming is due to internal variability alone, and very unlikely (< 10 %) that it is due to known natural causes alone.” Deze conclusie is gebaseerd op een veelheid aan detectie en attributie studies en verschillende “vingerafdrukken” waarin niet alleen observaties maar ook fysische inzichten in het klimaatsysteem zijn meegenomen.
Lange termijn persistentie (LTP) is een eigenschap van een tijdsreeks die een lang geheugen heeft. De aanwezigheid ervan doet de statistische significantie van een trend sterk afnemen. Het kan om die reden relevant zijn voor de detectie van significante opwarming. Vaak wordt de aanwezigheid van LTP gelijkgesteld met interne variabiliteit, maar dat is volgens anderen onterecht, aangezien een deterministische trend ook LTP veroorzaakt (zo vertoont klimaatmodel output ook LTP). Bovendien is voor het kwantificeren van interne variabiliteit een fysische onderbouwing onontbeerlijk.
De documentaire “Thin Ice“, met spectaculaire beelden en interviews met een paar dozijn bekende en minder bekende klimaatwetenschappers, is vanavond on-line te zien op hun website. Ook worden er diverse screenings georganiseerd overal ter wereld (helaas niet in Nederland, mea culpa).
Ik heb helaas geen tijd om ‘m vanavond te bekijken, maar het is waarschijnlijk slechts zeer tijdelijk (alleen vanavond? deze week? wie het weet mag het zeggen) dat de film via hun website vrij beschikbaar is om te kijken.
De opening vandaag is natuurlijk getimed om samen te vallen met Earth Day.
Voor klimaat-gerelateerde zaken die niet in een recente blog aan de orde komen.
Zo is de zeer goede discussie over de hotspot (die niets zegt over de oorzaak vd opwarming, maar wel over de klimaatgevoeligheid, die nl lager hoger zou zijn als de hotspot niet of minder sterk aanwezig is) zo nu en dan gelardeerd met ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van de reguliere klimaatwetenschap, wat dan natuurlijk op een scherp weerwoord mag rekenen (wat Hans Labohm vervolgens beschouwt als “de wereld op z’n kop”).
Ik stel voor om die discussie (en andere die niets met de hospot te maken hebben) hier voort te zetten. Dan kunnen we op de vorige blog weer terug naar het eigenlijke onderwerp: De tropische hotspot.
Ik herinner iedereen nog even aan de spelregels die op dit blog gelden:
– Geen ongefundeerde beschuldigingen van andere (groepen van) mensen
– Geen beledigend taalgebruik
– Blijf bij het onderwerp: on-topic
– Geen eindeloze herhalingen van hetzelfde punt
Ik denk dat het veilig is om te stellen dat dit blog positief afsteekt bij vele anderen wat betreft de eerste twee fatsoensregels. De derde blijft een uitdaging.
In zijn stukje van afgelopen donderdag haalt Hans Labohm een oude klimaatsceptische koe uit de sloot: de tropische hotspot. Of eigenlijk: de vermeende afwezigheid ervan. Hij wekt de suggestie dat die hotspot samen zou moeten hangen met de opwarming door het versterkte broeikaseffect, maar dat is onjuist. De hotspot wordt verwacht als gevolg van opwarming aan het aardoppervlak, ongeacht de oorzaak; dit wordt erkend door diverse klimaatsceptici, zoals Richard Lindzen. De hotspot een direct gevolg van de zogenaamde negatieve “lapse rate feedback”. Als de hotspot zwakker is dan in het algemeen wordt gedacht, zou de klimaatwetenschap de klimaatgevoeligheid onderschatten.
Het heeft allemaal te maken met het transport van warmte naar de bovenkant van de troposfeer, op zo’n 10 kilometer hoogte, door convectie en door verdamping en condensatie van water. Een sterk vereenvoudigde weergave van dat proces, zoals in de afbeelding hieronder, heeft iedereen wel eens gezien.
Warmtetransport via convectie en verdamping en condensatie van water
De gemiddelde Nederlander kent het KNMI voornamelijk van de dagelijkse weersverwachting. Daarnaast wordt er echter ook hoogwaardig onderzoek verricht o.a. op het gebied van de klimaatwetenschap. Daarin speelt het KNMI op het hoogste niveau mee.
De nieuwste KNMI publicatie, van Richard Bintanja, Geert Jan van Oldenborgh, Sybren Drijfhout, Bert Wouters en Caroline Katsman, verscheen op 31 Maart 2013 in Nature Geoscience en betreft een verklaring voor de toename van de zeeijsbedekking rond Antarctica.
In tegenstelling tot het Arctische gebied, waar de zeeijsbedekking met ca 4.1% per jaar afneemt, neemt dit in het Antarctische gebied juist toe en wel met 0.9% per jaar (zie deze NSIDC pagina of SkS post). Hoe kan dat nu als de wereld opwarmt zou je je kunnen afvragen?
De publicatie van Bintanja et al geeft een plausibele en fysisch logische verklaring voor de observaties, welke tevens door modelsimulaties onderbouwd wordt. Kort gezegd komt het er op neer dat het afsmelten van landijs (vnl door warm oceaanwater) zorgt voor een koude en zoete (en dus lichtere) laag water aan het oppervlak. Deze laag fungeert als een koude deksel op het warmere diepere water, en in dit koude oppervlaktewater kan zeeijs zich verder uitbreiden.
Men stelt zich bij het pakijs boven op de Arctische Oceaan vaak een monolithische, drijvende ijsplaat uit één stuk voor. Van dichterbij bekeken wordt al snel duidelijk dat het eigenlijk een verzameling van grotere en kleinere ijsschotsen is. We kennen allemaal de beelden van ijsschotsen die in de zomer door open water gescheiden worden, maar zelfs tijdens de winter ontstaan er in de poolkap barsten die honderden tot duizenden kilometers lang kunnen worden en weer snel dichtvriezen.
Dit verklaart hoe sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw onderzeeërs in staat waren om ter hoogte van de Noordpool tevoorschijn te komen (op de foto hierboven is te zien hoe de USS Connecticut op 19 maart 2011 aan de oppervlakte verschijnt; copyright: Kevin S. O’Brien, U.S. Navy). De onderzeeërs konden niet door het dikke ijs breken en moesten dan op zoek naar een zogeheten lead waar het ijs dunner was. Vreemd genoeg wordt dit fenomeen misbruikt door mensen die het bestaan en de mogelijke gevolgen van de door de mens veroorzaakte opwarming van de Aarde ontkennen, alsof het zou bewijzen dat de huidige ontwikkelingen in het hoge noorden niet ongewoon zijn. Maar het bewijst helemaal niets, omdat barsten altijd al een normale eigenschap van de Arctische zee-ijskap zijn geweest.
‘Normaal’ is echter een woord dat de laatste jaren steeds minder van toepassing is op het Arctische gebied. Het smeltseizoen van 2012 was een nieuwe climax in een serie van recordjaren en liet zien dat het zee-ijs dunner is dan het in lange tijd is geweest. We hoeven niet eens het komende smeltseizoen af te wachten om dit herbevestigd te zien, aangezien het aan het einde van het huidige vriesseizoen al zichtbaar is. Zoals net gezegd zijn barsten in het zee-ijs gebruikelijk in het Arctische gebied, maar de video hieronder gemaakt door het Visualization Lab van Amerikaans meteorologisch instituut NOAA toont een gebeurtenis die zeer zeldzaam, zo niet uniek is voor deze tijd van het jaar:
IJs, hoe dun ook, breekt niet uit zichzelf, maar heeft daarvoor wind nodig. Deze wind werd in dit geval veroorzaakt door een groot, krachtig en koppig hogedrukgebied dat een maand geleden ontstond en de Beaufort Gyre aanzwengelde, een oceaanstroming die zee-ijs van de Noord-Amerikaanse kust richting Siberië vervoert.
De volgende korte animatie van ASCAT radarbeelden met een interval van 10 dagen laat de beweging zien vanaf 1 januari, vergeleken met de drie voorgaande winters. De zwarte stip stelt de Noordpool voor, de witte massa daaronder is het noordelijke deel van de Groenlandse IJskap, de lichtere kleuren staan voor het dikkere meerjarige zee-ijs dat het vorige smeltseizoen heeft overleefd:
Naast de zoekfunctie is er ook deze lijst met blogposts, gerangschikt naar onderwerp. Wij schrijven voornamelijk over klimaatwetenschap en het publieke klimaatdebat.
De theorie van warmte: Een geschiedenis van de wetenschap achter klimaatverandering
Uitgegeven door Athenaeum.
Wat iedereen zou moeten weten over klimaatverandering
Uitgegeven door Prometheus