CO2 maken met windmolens. Dat was een belangrijke Nederlandse vinding. Veenmoeras werd vanaf de Middeleeuwen met windmolens drooggemalen en geschikt gemaakt voor landbouw. Overigens was broeikasgas CO2 toen een onbedoeld en onbekend bijproduct daarvan. Veen was er genoeg in Nederland (Fig. 1). Veen is een metersdikke laag plantenresten, ontstaan in moerassen. In een natte moerasbodem blijft afgestorven moerasvegetatie goed bewaard omdat er geen zuurstof bij kan komen. De meeste bacteriën en schimmels kunnen dan het afgestorven plantenmateriaal niet afbreken. De veenpakketten vertegenwoordigen duizenden jaren onttrekking van CO2 uit de lucht, door fotosynthese van de moerasplanten.

Het drooggelegde veen werd voor akkerbouw gebruikt. In de met sloten ontwaterde veenlagen kon zuurstof uit de lucht binnendringen. Het veen werd daardoor snel verteerd door het bodemleven: bodemdieren, bacteriën en schimmels. Daarbij kwamen voedingsstoffen vrij, die de veenbodem vruchtbaar maakten.
Veen kan wel voor zo’n 90% uit water bestaan. Drainage laat het bodemoppervlak snel zakken. De vertering van het veen zet het weer om in CO2. Dat doet het veen nog verder zakken, uiteindelijk met meters. In een veengebied aan de Engelse oostkust is het wel eens gemeten door palen in een veenmoeras te slaan voor de drooglegging begon. In 150 jaar zakte de bodem 4 meter (Fig. 2). Het landoppervlak in het veenweidelandschap van West-Nederland of Friesland kan ook wel 4 meter hoger gelegen hebben voordat de drooglegging in de Middeleeuwen begon.










